Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

palingen volgens sommigen zouden moeten wijken. Zoo b.v. art. 738 Rv., en ook art. 126 lid 7 Rv., als men een vordering tegen den eenen gedaagde een accessoir van die tegen een ander gedaagde zou willen noemen; vgl. hiervóór nos. 5, 36 sub f, 40—42, 45 en 47. Men vraagt zich niet af of de aangehaalde spreuk, ontstaan op een geheel ander rechtsgebied, ook buiten de wettelijke bepalingen, waarin zij gehuldigd is, hier zonder meer kan dienen om na te gaan hetgeen rechtens is. — De Paepe, Études sur la compétence civile I (1890), die ook op bedoeld adagium zich beroept (zie 1.1. p. 164—167, waarbij vgl. p. 310—311, alsmede p. 348 en p. 365—366), — beschouwt het, 1.1. p. 348, als een gevolg van het beginsel: continentia causae dividi non debet. T. a. p. behandelt hij echter de incidenten, die in geheel anderen zin accessoria zijn, dan wat men accessoire vorderingen noemt (zie Alg. Begins. XIII no. 21 sub c), voor welke laatste een beroep op de ondeelbaarheid van het geding, waar het aankomt op de bepaling der competentie, m. i. kwalijk een argument kan zijn de iure constituto, evenmin als de beweerde „nécessité impérieuse", waarvan sprake is in het door de Paepe t. a. p. geciteerde vonnis.

Al is een accessoire eisch als zoodanig verknocht aan de hoofdvordering, de vraag worde gesteld of dit wel mag leiden tot een verder gaande gevolgtrekking dan deze dat het icenschelyjk is de competentie voor het accessoir, behoudens speciale wettelijke regeling in anderen zin, af te laten hangen van de competentie voor de hoofdvordering, en dan in de gevallen dat wegens verknochtheid verwijzing kan worden gevraagd ? (Vgl. no. 58 hierna). Art. 158 Rv. nu wordt door de jurisprudentie meestal zóó opgevat dat het wèl in de competentie ratione personae, doch niet in die ratione materiae verandering teweegbrengt. Zie H. R. 4 Juli 1893 "VV. 6372, R.spr. 164 § 43, v. d. Hon. B. R. 59 p. 253, P. v. J. 1893 no. 71. Vgl. Léon-v. Rossem no. 54 op art. 158 Rv. in beide Supplementen, en denzelfde nos. 1, 8, 18, 19, 31 (met Suppl. I), waarbij nu nog is te voegen Rb. Rott. 19 Febr. 1906 W. 8474, alsmede W. v. Rossem Bzn., Het Ned.

Sluiten