Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleicl. wet R. O. — Alg. Begins, XI, XII.

58. E. De iure constituendo worde overwogen, of het niet wenschelijk is, om twijfel dienaangaande af te snijden, te bepalen dat — tenzij uit speciale regeling (b.v. bij de beslagen) het tegendeel volgt — de competentie voor de hoofdzaak ten gevolge heeft die voor den accessoiren eisch, voorzoover de wet hetzelfde beginsel huldigt bij de verwijzing wegens verknochtheid (art. 158 Rv.).

XII. Competentie en appel labiliteit bij do voortzetting eener niet ten volle beëindigde vroegere procedure.

1. A. Ondersteld wordt hier dat in de vroegere procedure reeds een vonnis over het fonds der zaak is gewezen. Echter heeft deze rubriek niet op het oog: noch de behandeling derzelfde zaak op een tegen het vonnis ingestelde voorziening, al kan men ook hier spreken van voortzetting derzelfde zaak, vgl. den aanhef der vierde overweging van het arrest H. E. 30 Nov. 1906 W. 8466, — noch ook de geschillen over tenuitvoerlegging van een vonnis in den engeren zin van executie door dwangmiddelen, waaromtrent zie de speciale regeling op dit punt in het Wetb. v. B. R. V. Men moet n.1. twee beteekenissen van „tenuitvoerlegging" onderscheiden: de engere zooeven aangeduid, en de ruimere, die elke uitvoering van het vonnis omvat. Daar in boek II van het Wetb. v. B. R. V. ook artt. 612 vlgg. zijn opgenomen, zal in het opschrift van dit boek „tenuitvoerlegging" wel moeten worden opgevat in den ruimeren zin, terwijl hetzelfde woord in de engere beteekenis is gebezigd in het onmiddellijk volgende opschrift van den eersten titel van dit boek. Wie mocht aarzelen dit aan te nemen, omdat blijkbaar het laatstbedoelde opschrift een weerklank is op het eerstgenoemde, bedenke dat aan onzen wetgever de dubbele beteekenis der uitdrukking niet voor oogen heeft gestaan. De redaktie onze wetboeken van 1838 laat wel meer te wenschen over.

Sluiten