Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook in het Duitsche recht kent men de genoemde twee beteekenissen van tenuitvoerlegging, vgl. R. G. 28 Juni 1886, E. C. S. 16 p. 420.

B. a. Wèl moet als een voortzetting der vroegere procedure waarop dit hoofdstuk XII betrekking heeft, worden beschouwd de vereffening der schade of proceskosten, waarvan het beloop in het voorafgegane vonnis niet is bepaald — vgl. artt. 612—615 en 125 Rv., — de z.g. exécution par suite d'instance, waarover zie Garsonnet, Traité... de procédure, 2e ed. II § 456 (p. 103—104) jo. III § 1196 (p. 671—672). Zie de jurisprudentie bij Léon— v. Rossem, nos. 1 en 4 op art. 612 Rv., waarbij, behalve de hierna sub nos. 3 en 4 te vermelden beslissingen, nog zijn te voegen, op no. 1 bij Léon—v. R.: Hof Z.-Holl. 31 Mei 1869 W. 3122 p. 3—4, en op no. 4 1.1.: Rb. Amst. 24 Okt. 1890 P. v. J. 1891 no. 22. Vgl. ook Hof 's Grav. 5 Febr. 1906 W. 8338. — Een vérgaande toepassing dezer opvatting is gemaakt door H. R. 30 Juni 1893 W. 6370, R.spr. 164 § 42, v. d. Hon. B. R. 59 p. 445 (contra O. M.), zie Léon—v. Rossem, Suppl. II ad no. 32 op art. 612 Rv., en ook dit no. 32 zelf.

De leer der hierboven bedoelde jurisprudentie wordt het duidelijkst uitgedrukt in het arrest H. R. 8 Mei 1891 W. 6043, R.spr. 158 § 3, v. d. Hon. B. R. 57 p. 164, P. v. J. 1891 n. 64: de vereffening is niet een afzonderlijke procedure, maar de voortzetting der vroegere; de rechter beslist hier slechts, zonder nieuwen rechtsingang, omtrent een geschilpunt, waarover hij nog geen uitspraak kon doen; de oorspronkelijke dagvaarding maakt den grondslag uit van het geheele proces, zoodat de appellabiliteit [voeg bij: en competentie], afhankelijk van de ingestelde vordering, bepaald wordt door deze oorspronkelijke dagvaarding. — Tegen die leer X. in W. 372 p. 84, vgl. ook W. 374 p. 92. — Bij het betoog in W. 372 vgl. Garsonnet, hierboven geciteerd, III § 1046 p. 406 nt. 6 jo. § 1043 p. 396. — Zie verder Oudeman, B. R. V. 4e ed, 2 p. 224—225, 229—230; J. v. Hall in R. Bijbl. 1843 p. 195; de Pinto, B. R. V. 2e ed. II, 2 p. 739—740.

Sluiten