Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1.1. —, is m. i. deze dat de ratio van dit laatste rechtsinstituut (en van liet thans nog geldende art. 1953 no. 3 B. W.), n.1. zekerheid, vastheid der rechtsbetrekkingen van gedingvoerenden, — hier niet aanwezig is, terwijl de wettelijke bepalingen over het gezag van gewijsde niet zóó zijn geformuleerd dat men ze desniettegenstaande toch voor toepasselijk zou moeten houden 1). Vgl., al geldt het hier geen interlocutoir, de motiveering van H. R. 30 Okt. 1873 R.spr. 105 8 17, v. d. Hon. B. R. 38 p. 501, betreffende de bepaling van een dag tot verschijning: daar dit geen beslissing is over betwiste feiten of rechten, belet zij niet een nadere, noodig geworden dag-aanwijzing te vragen. — Vgl. bij het voorafgaande ook, over de jugements avant dire droit, Lacoste, De la chose jugée, 2e éd. 1904 nos. 24 —85 (p. 13-35), en aldaar speciaal over interlocutoire vonnissen nos. 36 — 76 (p. 16—31), hier met de noodige kritiek te raadplegen. — Vgl. verder L. H. C. Kuhn, Het gezag van gewijsde in burgerlijke zaken, diss. Amst. 1905, p. 42—47 (no. 3) ja. p. 51 (no. 4). — Zie echter ook H. R. 28 Dec. 1888 W. 5661, R.spr. 150 § 45, v. d. Hon. B. R. 54 p. 379, P. v. J. 1889 no. 10. Uit de motiveering van dit arrest zou kunnen worden afgeleid dat de H. R., onderstellend dat art, 1954 lid 1 B. W. toepasselijk was, aan het interlocutoir als zoodanig wèl gezag van gewijsde toekende. Maar zeker is dit niet, nu de bij het cassatiemiddel gevoerde bewering dat art. 1954 B. W. geschonden was, toch werd verworpen.

In de Mem. v. Toel. op art. 6 tit. V boek I Ontw. B. R. V. van 1865, alsmede in de hierboven geciteerde diss. van v. Loon

1) Zou dit anders worden, als het nu voorgestelde art. 1956 B. W. naar het Reg.-Ontw. tot wijziging van boek IV B. W. wet wordt? De redaktie zou misschien kunnen doen twijfelen. Dat verandering van het op dit punt bestaande niet is bedoeld, blijkt uit de Mem. v. Toel., in den tekst hieronder sub f geciteerd. Misschien verdient het aanbeveling om, wegens hetgeen in dit no. 4 in den tekst is gezegd, als het vermelde art. "1956 overigens wordt gehandhaafd, den aanhef te doen luiden: «Vonnissen over een rechtsbetrekking», of wel: «Vonnissen, waarvan een rechtsbetrekking het onderwerp is», enz.

Sluiten