Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 2-

©. Over den regel: de rechter van het proces is tevens die van het incident, zie Alg. Begins. XV §§ 1 en 2.

§ 3.

Appellabiliteit van incidenteele vonnissen.

(Ygl. hierbij § 5 hierna).

9. A. Algemeen wordt aangenomen dat de vatbaarheid voor hooger beroep van het incidenteele vonnis zich regelt naar die van bet vonnis op de hoofdzaak, behoudens wettelijke uitzondering (b.v. art. 333 Rv.). Ygl. W. 6529 p. 4 kol. 1 midd., Faure, Proc.recht Y, le ed. p. 57—58, en denzelfde in R. Mag. 13 (1894) p. 270; Dalloz, Répertoire i. v. Degrés de juridiction nos. 240—266 en vooral Supplément nos. 84—90. — Yoor de motiveering der in deze heerschende leer zie hierna no. 21. — Die leer zal m. i. niet mogen worden toegepast, als het vonnis betreft een zelfstandige incidenteele vordering; vgl. hierna no. 22 jo. no. 29, alsmede no. 19 en no. 21 sub e en ƒ. In dit geval toch is de zaak waarin het vonnis wordt gewezen (art. 332 Rv.), niet die bij de oorspronkelijke dagvaarding, maar die bij de incidenteele vordering aangebracht. Volgt hier wat men noemt een incidenteel vonnis, dat is dit slechts een bijkomstige omstandigheid: een incidenteel vonnis is hier niet noodzakelijk, vgl. no. 5 hiervóór. Buitendien is het de vraag of zulk een vonnis inderdaad incidenteel mag heeten, waar het toch niet ondergeschikt is aan dat op de hoofdzaak; vgl. no. 1 hiervóór.

8. B. a. In strafzaken wordt het in 't voorafgaande no. 7 vermelde beginsel evenzeer door de jurisprudentie gehuldigd als in burgerlijke zaken (waarover vgl. nos. 9—21 hierna). — Zie H. R. 16 Jan. 1844 W. 566, R.spr. 17 § 17, v. d. Hon. Sr. 12 p. 131; H. R. 5 Dec. 1854 W. 1765 p. 1 kol. 1. R.spr. 49 § 3, v. d. Hon. Sr. 1854 II p. 124. In het bizonder is het beginsel, naar aanleiding van art. 44 lid 2 R. O., toegepast voor inciden-

Sluiten