Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 5.

Appellabiliteit van vonnissen op incidenteele vorderingen.

(Vgl. hierbij § 3 hiervóór.)

39. Ook voor de appellabiliteit geldt de in no. 22 hiervóór aangegeven onderscheiding tusschen zelfstandige en niet-zelfstandige incidenteele vorderingen. Op de laatste volgt een incidenteel vonnis, omtrent welks vatbaarheid voor hooger beroep zie § 3 hiervóór. — De appellabiliteit van vonnissen op een zelfstandigen eisch is naar dezen te beoordeelen, en niet naar de hoofdvordering. Of het vonnis op den eerstbedoelden eisch wordt gewezen vóór dat op de hoofdzaak, doet er niet toe; vgl. liet gezegde hiervóór sub no. 7 a. h. e.

Het in dit no. 29 geformuleerde beginsel is gehuldigd in de beslissingen aangehaald in de hier volgende nummers.

30. A. a. Gelijk in het voorafgaande no. 29 werd aangegeven, zie voor de vordering van een derde, die is tusschengekomen in een aanhangig geding: H. R. 1 Febr. 1856 W. 1719 p. 1 kol. 2, R.spr. 52 § 23, v. d. Hon. G. Z. 13 p. 193. Dit arrest betrof den, in een persoonlijke vordering van minder dan f 400, na toelating tot interventie, door een derde aangebrachten incidenteelen eisch, steunend op zijn eigendomsrecht. Het vonnis op dezen eisch, waarbij tegelijk op de, krachtens art. 54 no. 2 R, O. tot een op zich zelf niet-appellabel vonnis leidende, hoofdvordering was beslist (vgl. de conclusie van het O. M. bij v. d. Hon. 1.1. p. 200 v. o.), werd door den H. R, aangemerkt als gewezen op een zakelijke vordering, zoodat de appellabiliteit moest beoordeeld naar art 54 no. 3 R. O., met gevolg dat de eisch van den intervenient hier het geheele vonnis vatbaar maakte voor hooger beroep (zie de geciteerde conclusie 1.1.).

b. Over de appellabiliteit van vonnissen op de vordering van een intervenient vgl. ook Garsonnet, Traité de procédure, 2e éd. V § 2010 p. 712—713. Hij onderscheidt tusschen voeging en

Sluiten