Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tusschenkomst (vgl. Faure in R. M. 16, 1897, p. 44 — 60). Bij de eerste regelt zich de appellabiliteit naai- die der hoofdzaak; immers de strekking der vordering van de partij die zich voegde, is dezelfde als die der vordering van de partij bij wie hij zich heeft gevoegd, zoodat dezelfde wetsbepalingen toepasselijk zijn. — Alleen bij tusschenkomst is er een zelfstandige vordering, waarnaar de appellabiliteit van het vonnis daarop moet worden beoordeeld. — Vgl. ook de Paepe, Études sur la compétence civile I (1890) p. 478—481, alsmede Dalloz, Rép. i. v. Degrés de juridiction no. 167 en Suppl. no. 65.

31. B. a. Ten opzichte der vordering in vrijwaring is onze jurisprudentie niet eenstemmig (evenmin de Fransche, zie Garsonnet hieronder sub b geciteerd), wat zijn grond hierin vindt dat deze vordering nu eens is beschouwd als een zelfstandige, dan weer als een accessoire, vgl. Alg. Begins. XI no. 6 jo. no. 51. Terwijl de oudere jurisprudentie van den H. R. uitgaat van laatstbedoelde opvatting, huldigt zijn jongste arrest hierover de tegengestelde leer. Zie H. R. 28 April 1899 W. 7273, R.spr. 181 §66, v. d. Hon. B. R. 65 p. 202, P. v. J. 1899 no. 38, cf. concl. Proc.-Gen., waarbij werd verwezen naar de Fransche jurisprudentie en Dalloz, Rép. Suppl. i. v. Degrés de juridiction nos. 58—64 (vgl. ook het Répertoire zelf eod. verbo nos. 165—166). Gemeld arrest van 1899 besliste dat een in aard en strekking zelfstandige vordering van eenvoudige vrijwaring, die als zoodanig, hoewel tegelijk met de hoofdzaak bij één vonnis behandeld, daarbij afzonderlijk is beslist, — dit zelfstandige karakter niet verliest ten gevolge van art. 74 Rv., terwijl uit art. 73 blijkt dat evenmin door de gelijktijdige berechting met de hoofdzaak, deze en de vordering tot vrijwaring onafscheidelijk aan elkaar zijn verbonden, zoodat hierdoor ook niet, is laatstbedoelde zaak naar eigen aard appellabel, de oorspronkelijke niet-appellabele zaak haar de vatbaarheid voor hooger beroep doet verliezen, nu geen wetsbepaling dit meebrengt. Bij dit arrest werd gecasseerd het in tegengestelden zin gewezene van Hof 's Grav. 12 Dec. 1898 W. 7224, P. v. J. 1899 no. 21, waarbij was gevolgd de

Sluiten