Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oudere jurisprudentie van den H. R., die den eisch in vrijwaring als accessoir aanmerkte. Deze jurisprudentie is neergelegd in de arresten van 22 Febr. 1850 W. 1141, R.spr. 35 §8, v. d. Hon. B. R. 11 p. 280 (waarmee instemt de Pinto B. R. V. 2e ed. II, 1 p. 104 — 105), en van 2 Jan. 1885 W. 5124, R.spr. 139 § 2, v. d. Hon. B. R. 50 p. 255, casseerend Hof Arnhem 5 Nov. of Dec. 1883 W. 5078, R. B. 1884 A p. 174, welk arrest was gewezen in den zin van dat van den H. R. van 1899. In dien laatsten zin ook, waar art. 73 Rv. was toegepast, Hof Arnhem 21 Maart 1883 W. 4890. — Het zooeven genoemde arrest van den H. R. van 1850 overwoog dat de daarbij aangenomen opvatting te eer gold, nu hier de vordering in vrijwaring niet in aard verschilde van den oorspronkelijken eisch, terwijl het arrest a quo (waartegen de cassatie was verworpen), n.1. Hof Geld. 24 Jan. 1849 W. 1008, R.spr. 41 § 76, E. B. 1849 p. 176, slechts hierom het vonnis op de vordering in vrijwaring voor de appellabiliteit het lot der hoofdzaak liet deelen, omdat beide in het gegeven geval van gelijken aard waren, na eerst te hebben overwogen dat de vordering in vrijwaring naar eigen aard moest worden beschouwd. — Dat bij gelijken aard van beide vorderingen ook de appellabiliteit van beide vonnissen gelijk staat, is eenvoudig een gevolg hiervan dat beide dan vallen onder dezelfde wetsbepalingen, zonder dat het noodig is, met het geciteerde arrest van den H. R. van 1850, een beroep te doen op den vermeenden accessoiren aard van den eisch in vrijwaring. Voor dit geval is dan ook eenzelfde beslissing als die van Hof Geld. van 1849 jo. H. R. van 1850, gegeven door Hof N.-Holl. 11 Maart 1875 W. 3851, M. v. H. 17 p. 82, en door Hof N.-Brab. 27 Juni 1841 R.spr. 13 § 66, bij welk laatste arrest tevens werd aangenomen dat hierin geen verandering wordt gebracht door een subsidiaire conclusie van repliek in de vrijwaringszaak om in elk geval buiten proces te worden gesteld en tot veroordeeling van gedaagde in vrijwaring tot teruggaaf van den koopprijs, — dit, omdat art. 134 Rv. geen verandering of vermeerdering van den eisch toelaat.

Sluiten