Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(in den ruimeren zin, mede omvattend die over de feiten, vgl. no. 2 sub a hiervóór) gezag van gewijsde toekomt, raadplege men de j urisprudentie en litteratuur over dit leerstuk.

a. Zie voornamelijk de volgende schrijvers. Voor den ruimen omvang van het gezag van gewijsde der hier bedoelde beslissingen: v. Savigny, System 6 §§ 291—298; Dernburg, Pand. I, 2e ed. (1888) § 163 p. 373—374, en AVindscheid, Lehrb. des Pand.rechts, I, 6e ed. (1887) § 130 p. 427—429; vgl. ook Bernatzik, geciteerd hierna in no. 8 sub h. — v. Savigny is in deze bij ons gevolgd door Goudsmit. Pand. Syst. I § 108 p. 286—289 on p. 291 nt. 2 (over de aldaar geciteerde Codexplaatsen vgl. Alg. Begins. XY de noot bij het slot van no. 4 sub e jo. no. 3 sub c). — In denzelfden zin ook H. Binnerts, De Exceptie van gewijsde, diss. Leiden 1867 p. 65—78 en 94—111. Vgl. ook — de iure constituendo — denzelfde in Themis 1906 p. 64—67, waar hij, in tegenstelling met zijn diss. p. 109—111, niet schijnt uiteen te houden de twee vragen: 1°. die of de plaats, waar de beslissing in het vonnis voorkomt (dictum of motiveering) van belang is voor het al dan niet toekennen van gezag van gewijsde aan die beslissing, en 2°. die, in hoever praejudicieele beslissingen — in engeren of ruimeren zin, vgl. no. 2 sub a biervóór — gemeld gezag hebben. Tegen

zou de uiteenzetting niet oppervlakkig worden, niet kan volstaan met het enkele woord op p. IX der Voorrede hieromtrent toegezegd. Echter is hier over het algemeen volledigheid eer vermeden dan nagestreefd. Zoo ga ik de kommentaren op het B. W. alle stilzwijgend voorbij; zij bieden op dit punt m. i. weinig belangrijks. Van de jurisprudentie zijn alléén de arresten van den H. R. geciteerd.

!) Daar de opinies verdeeld zijn over de vraag wat eigenlijk het gezag van gewijsde is, meen ik hier te moeten' zeggen dat het m. i. bestaat in dat gezag van het vonnis, uit kracht waarvan men daartegen niet mag reageeren op andere wijze dan bij de wet is toegestaan. liet woord „men" is hier opzettelijk gekozen om de kwestie wie gebonden worden door het gezag van gewijsde in het midden te laten. Deze laatste vraag noemt rnen die naar de subjektieve grenzen van het gezag van gewijsde, de hier in den tekst behandelde betreft den objektieven omvang van gemeld gezag.

Sluiten