Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dit verzuim, dat vooral bij vele Fransche schrijvers tot onduidelijkheid leidt, is reeds gewaarschuwd door v. Savigny, 1.1. p. 352—353 jis. p. 370—374. — Ten deele is v. Savigny's leer omtrent den ruimen omvang van het gezag van gewijsde ook gevolgd door Faure, Proc.recht II, 4e ed. § 76 p. 312—314 jis. p. 256 vlgg., n.1. alleen voor de praejudicieele beslissingen in engeren zin, niet voor die over de feiten. Ygl. hierbij ook artt. 3427 lid 2 en 3437 Ontw. 1820.

Tegen den ruimen omvang van het gezag van gewijsde zie voornamelijk Unger, Syst. des österreich. Priv.rechts II, 4e ed. p. 621—648 j's. p. 606—608, p. 657—658, 675—676; Regelsberger, Pand. I p. 707 ja. p. 703; Schanze in Zeitschrift für die gesammte Strafrechtswissenschaft 4 (1884) p. 453 — 455, 460—461, 467, 471—472; J. Kohler in v. Holtzendorff's Encyklop. der Rechtswiss. 6e ed. (1904) II p. 145—146. Ook bij deze schrijvers loopen overigens in de toepassing de opvattingen nog uiteen. — Zie bij ons Vlielander Hein in Themis 1868 p. 671—673; L. H. C. Kuhn, Het gezag van gewijsde in burgerlijke zaken, diss. Amst. 1905 p. 54, 58 — 79 (waaromtrent zie hierna sub no. 8). Ygl. ook Red. in W. B. A. 2751 (— H. Vos, Admin. Rechtspr. II, 1902; p. 218) en 2840 (= 2845) p. 1 kol. 1; H. Krabbe, Admin. Rechtspr. (1901) p. 42—43, en Hamaker in R. Mag. 25 (1906) p. 20—24. — Unger, hierboven aangehaald, is gekritiseerd door Klöppel, Die Einrede der Rechtskraft (1882), speciaal p. 63 j°. de noot op p. 146—147; p. 87—88, 100—102, niet geheel ten onrechte, maar grootendeels op onbelangrijke woordenkwesties. Klöppel's werkje bevat naast veel scherpzinnigs ook menige tastbaar onjuistè opmerking.

De Fransche litteratuur en jurisprudentie over de hier behandelde kwestie is moeielijk in korte woorden tot een vast gezichtspunt terug te brengen; vgl. de opmerkingen hieromtrent bij Th. Huc, Commentaire théor. et prat. du C. C. t. 8 (1895) no. 310 p. 393—395, en bij Klöppel, zooeven geciteerd, p. 13.— Van de Fransche schrijvers vgl. Lacoste, De la chose jugée, 2e éd. 1904, nos. 213—219 (p. 76-79), nos. 226-243 (p. 80—85),

Sluiten