Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

R.spr. 137 § 20, v. d. Hon. B. R. 50 p. 22, R. B. 1884 A p. 324 (uitspraak over bepaalde overliggelden in verband met de praejudicieele beslissing over het recht op overliggeld in het algemeen). Bij het arrest van 1884 vgl. ook dat van H. R. 12 Jan. 1906 W. 8323, R.spr. 202 § 8 (assurantiepremie), waaruit echter niet kan worden opgemaakt, of de ontzegging van den eersten eisch berustte op ontkenning van het recht op premiën in het algemeen. — Vgl. ook H. R. 26 Juni 1891 W. 6059, R.spr. 158 § 35, v. d. Hon. B. R. 57 p. 269, P. v. J. 1891 no. 66 (vischrecht in verband met bezit van gedaagde, praejudicieel in twee procedures). — Bij deze laatstaangehaalde arresten vgl. het hier onder no. 7 sub b a. h. e. opgemerkte over art. 1954 lid 2 B. W. Hier worde nog er op gewezen dat het niet zou aangaan op de strekking der voornoemde arresten af te dingen wegens gebondenheid van den H. R. aan het vereischte van „dezelfde zaak", in art. 1954 lid 2 B. W. gesteld. Immers is er dan geen goede reden aan te geven, waarom dit vereischte anders is opgevat bij de hieronder aan te halen arresten van 1888 en 1900, in welker motiveering de H. R. het „pinguius ... accipitur" van Paulus in lex 14 pr. D. 44, 2 al zeer vrij heeft toegepast: vgl. het omtrent deze arresten hieronder in de noten gezegde. Buitendien toont de motiveering der arresten van 1876, 1879 en 1884 duidelijk genoeg welke opvatting de H. R. daarbij had omtrent den objektieven omvang van het gezag van gewijsde.

Een ruimer standpunt ten opzichte van het gezag van gewijsde der praejudicieele beslissingen is ingenomen bij de motiveering der volgende arresten: H. R. 23 Nov. 1888 R.spr. 150 § 28, v. d. Hon. B. R. 54 p. 334 (over lijfrentetermijnen); H. R. 1 Febr. 1895 W. 6623, R.spr. 169 § 15, v. d. Hon. B. R. 61 p. 45, P. v. J. 1895 no. 39 (bedrag schadevergoeding bij onteigening, afhankelijk van beslissing over de verplichting tot zekere werken), en H. R. 26 Jan. 1900 W. 7397, R.spr. 184 § 19, v. d. Hon. B. R. 66 p. 54, P. v. J. 1900 no. 16 (ontbinding van wederkeerige overeenkomst afhankelijk van beslissing over niet-nakoming, en deze van die over de verplichting tot nakoming

Sluiten