Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de overweging dat partij reageerae tegen uc —

zijn tegenpartij recht had op lijfrentetermijnen over bepaald aangeduide jaren. *) - De redaktie van het arrest van 1895 schijnt te wijzen op het stelsel, aanvaard in art. 1958 B. v\. naar het thans aanhangig Reg.-Ontw. (misschien wel aan dit arrest, in verband met dat van 1873, hier onder b i. f. te vermelden, zich aansluitend); maar in het gegeven geval gold het geen bloot praejudicieele beslissing. Dit niet enkel omdat de beslissing niet ging buiten het onderwerp, waarover de rechter geroepen was een bindende uitspraak te geven (krachtens de wet in verband met de dagvaarding), doch ook omdat het verband der einduitspraak met de praejudicieele beslissing hiei meebracht dat de laatste door den rechter die ze gaf, noodzakelijk moet zijn bedoeld als een bindende uitspraak. De gepraejudicieerde beslissing zou hier anders zijn gewezen, met enkel als de praejudicieele een anderen inhoud had gehad, maar óók, zoo deze niet bedoeld ware als bindende vaststelling, zoodat de einduitspraak hier berustte op de praejudicieele als bindende vaststelling: de praejudicieele en gepraejudicieerde beslissingen te zamen genomen vormden hier één onafscheidelijk geheel. — Vgl. ook het sub Alg. Begins. XIII no. 4 onder f geciteerde

nakoming werd verlangd, - dan is m. i. de gevolgtrekking dat inzóóver ook de geëischte zaken dezelfde waren, gerechtvaardigd.

i) Wat hier de identiteit der gevorderde zaken betreft, de H. R. zocht ze daarin dat de verschillende lijfrentetermijnen zijn volkomen met elkaar gelijkstaande onderdeelen eener zelfde schuld. Maar als a gelijk staat met b is a daarom nog niet steeds hetzelfde als b. Verschillende overigens aan elkaar gelijke termijnen eener schuld zijn niet de inhoud van één verplichting tot betaling van dien termijn; vgl. ook het hierboven op blz. 160 aangehaalde arrest H. R. van 12 Jan. 1906 over assurantiepremies Wel is erkenning van het recht op de eventueele termijnen als één geheel genomen, integreereud deel van het onderwerp eiker termijnvordering, en inzóóver wordt dan steeds hetzelfde geëischt. - Echter had m. i. de identiteitskwestie in 1888 buiten spel kunnen blijven, omdat er geen sprake was van een in het eerste proces afgewezen eischer, vgl. het in den tekst hier onder no. 7 sub b a. h. e. gezegde over de strekking van art. 1954 lid 2 B. W.

Sluiten