Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

arrest H. R. van 10 April 1905 W. 8206, enz. Overigens is het, hoewel dit gewoonlijk stilzwijgend wordt aangenomen, m. i. op zijn minst twijfelachtig, of de bepalingen in het B. W. over het gezag van gewijsde van vonnissen in burgerlijke geschillen, mede toepasselijk zijn, waar de rechterlijke macht oordeelt in een administratiefrechtelijk geschil, zooals een onteigeningszaak. Mocht deze vraag ontkennend moeten worden beantwoord, dan volgt hieruit echter nog niet dat het onteigeningsvonnis geen gezag van gewijsde heeft, tenzij dit gezag in beginsel enkel berust op speciale wetsbepaling; vgl. hieromtrent Alg. Begins. XY sub § 3.

In aansluiting aan het voorafgaande zij hier nog aangeteekend dat de bewering, telkens herhaald, als zou de H. R. bij arrest van 6 Maart 1862 W. 2360, v. d. Hon. B. R. 26 p. 331, gezag van gewijsde Lebben aangenomen voor een beslissing over de feiten, m. i. berust op een verkeerde opvatting van dit arrest, dat te vergelijken is met de daaraan voorafgaande conclusie van het O. M. bij v. d. Hon. 1.1. p. 336—337. — Eerder zou uit H. R. 30 Okt. 1873 R.spr. 105 § 17, v. d. Hon. B. R. 38 p. 501 argumento a contrario kunnen worden afgeleid dat dit arrest beslissingen over betwiste feiten (of rechten) aanmerkte als te behooren tot het onderwerp van het vonnis, als zoodanig met gezag van gewijsde toegerust. Maar dat de H. R. dit aannam voor al zulke beslissingen, volgt m. i. niet uit het arrest, waarbij slechts werd uitgemaakt dat een dagbepaling tot verschijning niet behoort tot de hier aangeduide rubriek. Vgl. ook het hieronder sub d in verband met het in no. 8 hierna sub i a. h. e. opgemerkte.

De bovenstaande jurisprudentie van den H. R. is gewezen naar aanleiding van het thans nog geldende art, 1954 lid 2 B. W., dat m. i. ondanks zijn redaktie in den aanhef, niet de verre strekking heeft die men er gewoonlijk aan toekent. De bepaling heeft blijkens de bron waaraan zij via art. 1351 C. C. is ontleend — n.1. Pothier, Obl. no. 889 — enkel op het oog den reeds afgewezen eischer, die zijn vordering, zij het slechts voor een onderdeel, herhaalt, dus het aloude, „ne bis in idem", wèl een

Sluiten