Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der belangrijkste uitingen van het gezag van gewijsde, doch niet de eenige. — Door dit te miskennen heeft onze jurisprudentie over dit onderwerp zich vaak in vreemde bochten gewrongen, 0111 art. 1954 lid 2 B. 'W. te kunnen toepassen in alle gevallen, waarin sprake is van het gezag van gewijsde van een burgerlijk vonnis.

c. Op dit gezag ten aanzien van praejudicieele beslissingen (in ruimen zin, vgl. no. 2 sub a hiervóór) heeft betrekking het hierboven sub b reeds genoemde art. 1958 B. W. naar hetReg.Ontw. tot wijziging van boek IV B. W. (art. 1959 Ontw. St.Comm.), — en voor de administratieve rechtspraak art. 276 van het Ontw. 1905 Wetb. Adm. Rv. — Vgl hieronder sub e, en hierna in no. 8 sub h, j en l.

d, Omtrent het gezag van gewijsde der praejudicieele beslissingen worde hier opgemerkt, in de eerste plaats dat de term „beslissing" dubbelzinnig is, en wordt gebruikt zoowel voor de niet bindende oordeelvelling (overweging) van den rechter — b.v. over de uitlegging der wet — waarvan algemeen erkend wordt dat ze geen gezag van gewijsde heeft; als voor *s rechters bindende uitspraak. ') Al berust nu ook die uitspraak op een oordeelvelling, daarom deelt deze laatste nog niet het bindend karakter der eerste, ook dan niet als zij een rechtsbetrekking van partijen betreft. Men houde hierbij in het oog dat hij, die van den rechter vraagt vaststelling eener rechtsbetrekking, welke

i) Vgl. ook artt. 221 lid 2 j°. 211 Sv., waar van «beslissing» wordt gesproken, terwijl het op zijn minst twijfelachtig is of over al de daar bedoelde punten een bindende beslissing door den strafrechter wordt gegeven. — Tot op zekere hoogte, doch slechts als buitengewone uitzondering, is ook de term «uitspraak» voor gelijke dubbele opvatting vatbaar als het woord beslissing; vgl. b.v. in het licht der daarover gevoerde beraadslagingen — vooral Hand. 2e Kamer 1849-1850, zitting van 16 April 1850 p. 1 — art. 11 lid wet 1 Juni 1850 Stbl. 25; zie nu artt. 8 en 13—14 der wet van 28 Mei 1901 Stbl. 130, waarbij vgl. Hand. 2e; Kamer 1900-1901 p. 1443 j°. Bijlage no. 154 (3°.) de M. v. T. op artt. 13 en 14 vermeld. — Voor de beteekenis van „uitspraak in het geciteerde art. 8 vgl. ook art. 25 lid 1 j». lid 3 i. f. der wet van 19 Sept. 1852 Stbl. 178, tekst bekendgemaakt bij K. B. van 5 Dec. 1901 Stbl. 23.>.

Sluiten