Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afhankelijk is van het bestaan eener andere rechtsbetrekking, die daarom mede door den eischer wordt aangevoerd, wèl verlangt dat de rechter ook deze laatste rechtsbetrekking beoordeelt, doch hierom nog niet vanzelf óók dat de rechter ze bindend vaststelt. (A fortiori geldt dit voor de beoordeeling der feiten.). Evenzoo verlangt een gedaagde, die zich beroept op een praejudicieele rechtsbetrekking, slechts beoordeeling hiervan ter afwering van den eisch. J) — Dat elke beoordeeling eener rechtsbetrekking door den rechter vanzelf zou moeten zijn een bindende vaststelling, gaat niet op; men denke hierbij ook aan den regel: 1'interlocutoire ne lie pas le juge, mede van toepassing waar het interlocutoir een beoordeeling bevat van een louter praejudicieele rechtsbetrekking (vgl. Alg. Begins. XIII no. 4 sub e en f).

Een tweede opmerking is deze. Waar de rechter gebonden is aan de dagvaarding of aan hetgeen daarvoor in de plaats treedt — klaagschrift, verzoekschrift, of conclusie, voorzoover deze laatste n.1. met de dagvaarding op één lijn staat (b.v. de eisch in reconventie) — moet, als niet duidelijk blijkt dat de rechter desniettegenstaande buiten die dagvaarding, enz., om een beslissing gaf (ultra petita), het onderwerp van de dagvaarding of wat haar vervangt, vanzelf bepalen wat onderwerp kan zijn van 's rechters bindende uitspraak. Dit laatste onderwerp kan daarom, afgezien van blijkbare afwijking bij het vonnis van de dagvaarding — wel enger, doch niet ruimer zijn dan het onderwerp dier dagvaarding, d. i. de rechtsbetrekking waarvan daarbij rechterlijke vaststelling verlangd wordt: vgl. het zooeven in de eerste opmerking gezegde. Zie ook Vlielander Hein in Themis 1868, hierboven sub a geciteerd. — Het hier gezegde geldt ook daar, waar de rechter

1) Anders dit laatste bij liet Romeinsche formulierproces; vgl. Ulpianus in lex "1 D. 44, 1 en daarbij W. Modderman (Drucker, Tichelaar), Handb. voor het Rorn. recht, 3e. ed. I (1900) p. 260 sub 2°. in § 103, p. 287 vlg. in § 111, en p. 291 in § 112, jis. p. 254 v.b. in § 102 en p. 257 in § 103. — Zijn de Pandektenplaatsen over het gezag van gewijsde bij een exceptie van compensatie, geciteerd o. a. bij Windsciieid (hierboven sub a aangehaald), niet te beschouwen in het licht der zooeven aangeduide lex 1 D. 44, 1 ?

Sluiten