Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een geschilpunt, dat aan het administratief gezag ter beslissing is opgedragen in geval het onderwerp is van een afzonderlijk geding (vgl. b.v. Alg. Begins. XV nos. 6 en 12 sub k jo. g). Thans daarentegen moet hetzelfde m. i. slechts dan worden aangenomen, als het bedoelde praejudicieele geschilpunt behoort tot het onderwerp van de dagvaarding of wat deze vervangt, in welk geval alléén, van den rechter een bindende beslissing er over wordt gevraagd; vgl. het hierboven sub d gezegde, hieronder no. 8 sub j a. h. e. en Alg. Begins. XV no. 4 sub f.

Met het oog op het hier onmiddellijk voorafgaande zou althans voor het daar aangeduide geval m. i. een uitzondering op het voorgestelde art. 1958 dienen te worden gemaakt, zoo men dan overigens het in dat artikel gehuldigde stelsel wenscht aan te nemen. (Zie nader het hier volgend no. 8 sub j.) Doet men dit niet, dan zou bij invoering van art. 1958, b.v. de jurisprudentie, waarbij wordt geoordeeld dat de Kantonrechter een louter praejudicieei geschilpunt betreffende een zakelijk recht, zelfstandig mag onderzoeken, m. i. met artt. 53 en 54 R. O. althans materieel in konflikt komen, en dus moeielijk kunnen worden gehandhaafd ; vgl. Alg. Begins. XV no. 8 sub d en no. 4 sub f. Vgl. hierbij ook no. 8 sub l hierna.

Wil men zich voor het gezag van gewijsde der praejudicieele beslissingen aan het stelsel houden, dat m. i. uit de tegenwoordige wetgeving voortvloeit, en dat hierboven sub d in het kort is uiteengezet, dan zal, dunkt mij, toch moeten worden overwogen of niet behooren te worden opgenomen (en dan aangepast aan onze wetgeving) bepalingen als de Duitsche C. P. O. bevat in § 280 (253 oud) jo. § 268 no. 2 (240 no. 2 oud). — Immers schijnt het aan den eenen kant ongewenscht dat partijen voor louter praejudicieele beslissingen, die ook als onderwerp van een afzonderlijk vonnis ratione materiae tot de competentie van dezen rechter zouden behooren, zelfs dan geen bindende beslissing kunnen verkrijgen, als zij op ook voor de tegenpartij duidelijke wijze toonen dit te verlangen. Aan den anderen kant is de meening van Kuhn, in zijn hierboven sub a geciteerde

Sluiten