Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

m. i. P. Scholten in W. 8260 p. 3 kol. 2 v. o., die in genoemde bepaling een krachtig argument ziet voor de meening dat de thans geldende wet het stelsel huldigt van het Ontw. 1901 tot wijziging van boek IV B. W. Daargelaten dat niet is uit te maken of de wetgever bij de vaststelling van art. 38 R. O. aan de leer van het gezag van gewijsde heeft gedacht, zou, al kon dit ook wèl worden aangetoond, 's wetgevers opvatting hierbij ten grondslag genomen, toch niet zonder meer bewijzen datgene, waarop het hier aankomt, n.1. dat in de aan den C. C. ontleende artikelen van het B. W. over het gezag van gewijsde, ook hetzelfde beginsel is gehuldigd. Staan artt. 1953 vlg. B.W. op een ander standpunt, dan wordt daarin geen wijziging gebracht dooide hier onderstelde afdwaling des wetgevers bij het neerschrijven van art. 38 R. O., die ons niet bindt. — Buitendien kan het afhankelijk stellen der competentie van betwisting des rechtstitels, geen argument zijn voor de leer dat aan elke praejudicieele beslissing, waarop de einduitspraak berust, gezag van gewijsde moet toekomen, — doch op zijn hoogst voor de opvatting, welke dit gezag toekent aan die praejudicieele beslissing, die loopt over den rechtstitel, dus over een integreerend bestanddeel der vordering (hoewel ook dan hetzelfde zou behooren te gelden, als er geen betwisting plaats heeft). Zie over de beteekenis van den term „rechtstitel" nader op art. 38 no. 2 R. O. — Dat deze bepaling zélf niet is een voorschrift over de grenzen van het gezag van gewijsde, schijnt mij toe eigenlijk geen betoog te behoeven, al wordt in de hiervóór sub no. 7 onder a geciteerde dissertatie van Kuhn, p. 75—76 een andere zienswijs voorgestaan. Niet eens implicite ligt het in 't artikel opgesloten, ook dan niet, zoo dit moest worden aangemerkt als uitvloeisel eener bepaalde opvatting des wetgevers omtrent bedoelde grenzen. — Bij het voorgaande vgl. ook de Paepe, Études sur la Compétence civile, I (1890) p. 226—234 ja. p. 247.

li. Moet naar het in dit no. 8 sub f aangevoerde, de beslissing over die praejudicieele geschilpunten, welke integreerend deel der vordering zijn, ook dan gezag van gewijsde hebben, als het

Sluiten