Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vgl. hiervóór sub h i. f. en Alg. Begins. XY no. 4 sub e en f. De t. a. p. aangeduide moeielijkheden zouden dan vanzelf vervallen.

Met het oog op het voorafgaande verdient het, dunkt mij, althans overweging bij de wettelijke regeling van het gezag van gewijsde te bepalen dat clit gezag zich niet uitstrekt tot al datgene, waaromtrent de rechter, voor wien de zaak dient, geen bindende beslissing sou mogen geven, zoo het ondertverp ware van een zelfstandig geding, uitgezonderd dan het geval dat dit laatste een gevolg is van incompetentie ratione personae (de verknochtheid van het praejudicieele geschilpunt aan de hoofdzaak maakt deze uitzondering wenschelijk, vgl. art. 158 Rv.). l) Zulk een bepaling

het bezwaar bestaan dat, mocht het eens betaalde teruggevorderd en deze eisch toegewezen zijn, al wordt daardoor over het indebitum ook niet bindend beslist, toch een latere uitspraak dat het geld wèl verschuldigd was, praktisch zou strijden met de erkenning van het recht om het reeds betaalde terug te vorderen. Niet-ontvankelijkheid dier terugvordering, waar een ander aangewezen is om te beslissen over het debitum, zoolang deze laatste niet beslist heeft, schijnt, is er competentie, hier de eenige uitweg. Trouwens zal die niet-ontvankelijkheid in den regel ook op andere gronden uit onze wetgeving volgen. Zie hierna no. 18 en Alg. Begins. XV nos. 21 en 22 jO. no. 25.

1) De bedoelde bepaling — in te lasschen achter het nu voorgestelde art. 1958, zoo dit overigens behouden blijft — zou misschien aldus kunnen luiden.

Beslissingen [over rechtsbetrekkingen], waartoe de rechter die ze gaf, onbevoegd zou zijn uithoofde van het onderwerp des geschils als zij afzonderlijk werden verlangd, hebben geen gezag (kracht) van gewijsde. — «De rechter die ze gaf», om te doen uitkomen dat niet bedoeld is beperking tot de gevallen, waarin de geheele rechterlijke rnacht incompetent is. «Over rechtsbetrekkingen», omdat het door de Regeering gewensclite art. 1958 nu eenmaal ook gezag van gewijsde toekent aan de daar omschreven beslissingen over feiten. Mocht dit vervallen, dan zouden de tusschen [ ] geplaatste woorden in de hier voorgestelde bepaling kunnen worden geschrapt. — «Gezag» of «kracht» van gewijsde. De eerste uitdrukking schijnt mij verkieselijk wegens het onderscheid tusschen hetgeen de Duitschers materielle en formelle Rechtskraft noemen; vgl. ook Hamaker in R. Mag. 25 (1906) p. 12 en J. v. G. Vitringa in Themis 1905 p. 1—2. Het Reg.-Ontw. volgt echter een andere terminologie,, vgl. het opschrift van titel 0 en art. 1956, waarin de term «kracht van gewijsde» tegelijk de formelle en materielle Rechtskraft schijnt te moeten aanduiden.

Sluiten