Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zou m. i. bovenal dit voordeel hebben dat de wettelijke competentieregeling zonder bezwaar tot haar recht kan komen. Om dit afdoende te waarborgen zou dan echter die bepaling óók toepasselijk moeten zijn, waar het praejudicieele geschilpunt integreerend deel is van het onderwerp der vordering. Dan toch zou er geen sprake meer behoeven te zijn van een niet-ontvankelijkverklaring, respektievelijk van incompetentie, enkel op motief dat de rechter over het praejudicieele geschilpunt hier noodzakelijk bindend zou moeten beslissen, terwijl juist dit hem is verboden. De bezwaren voor het geldend recht, hierboven sub h j°. f ontvouwd, behoeven m. i. den tvetgever niet te weerhouden: hij toch heeft niet, gelijk de wetsuitlegger, in de eerste plaats consequent te zijn. Meent hij echter dat zoo uitgebreide toepassing der hier aanbevolen bepaling niet wenschelijk is, en wil hij het nu voorgestelde art. 1958 overigens handhaven, dan zou een voorschrift als zooeven aangegeven toch althans voor de louter praejudicieele beslissingen m. i. in de wet verdienen te worden opgenomen, reeds om tym de bestaande onzekerheid in deze een einde te maken. — Bij het hier onmiddellijk voorafgaande vgl. hieronder sub k en no. 7 sub e hiervóór. :)

k. Het ligt voor de hand dat, voorzoover de praejudicieele beslissing is een niet bindende oordeelvelling, dus zonder gezag van gewijsde, de vraag of de rechter competent zou zijn het praejudicieele geschilpunt te beslissen als onderwerp van een afzonderlijk geding, in het geheel niet meer afdoet voor die of hij het als praejudicieel geschilpunt zelfstandig mag onderzoeken (vgl. ook hierboven sub j a. h. e.). Dit laatste is dan boven allen twijfel verheven, en zoo komt dan ook de regel dat de rechter, waar geen bizondere reden is een uitzondering aan te nemen,

!) Vgl. ook lex 5 §§ 8— 9 D 25, 3. De eisch tot alimentatie op grond van bloedverwantschap wordt door die verwantschap geïndividualiseerd. Toewijzing zou daarom m. i. wèl insluiten (bindende) vaststelling dier verwantschap, al wordt dit door Ulpianus 1.1. ontkend. Maar de keizerlijke beslissing, waarop hij doelt, bracht mee dat er geen bindend praeiudicium voor de verwantschap mocht worden aangenomen.

Sluiten