Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de rechterlijke macht, kunnen zij m. i. geen invloed hebben op het bepalen der grenzen van haar competentie, die eerst door haar moet zijn aangenomen, vóórdat er sprake van kan zijn dat het bewuste art. 1958 toepasselijk is. — Anders zou het worden, als bij invoering van het Wetb. v. Admin. Rv. óók hetzelfde stelsel op dit punt werd gehuldigd, als nu in art. 1958 wordt voorgesteld. Hiervan zou m. i. het gevolg zijn dat het begrip geschillen over burgerlijke rechten, respektievelijk burgerrechtelijke geschillen, veel ruimer werd dan tegenwoordig. Immers, als beslissingen van den administratieven rechter over voorvragen van burgerlijk recht gezag van gewijsde zouden hebben, zou het geschil ten opzichte dier voorvragen ook loopen over een burgerlijk recht, en inzóóver m. i. dan burgerrechtelijk zijn. Een bepaling in 't Wetb. v. Adm. Rv. als hierboven sub j voorgeslagen, zou dit echter kunnen voorkomen. — Vgl. ook no. 9 hierna.

Mag de rechter in het geheel geen bindende beslissing geven in het aanhangig geschil, dan is hij daarvoor incompetent. Op deze gedachte berust ook de incompetentverklaring bij de arresten van den H. R. van 18 Dec. 1857 en van 4 Juni of Juli 1875, geciteerd sub Alg. Begins. IX no. 44 jo. 45, hoewel het de vraag is of die arresten een juiste toepassing der bedoelde gedachte bevatten. Immers de praemisse dat de rechter in het geheel geen bindende beslissing geven mocht, was hier betwistbaar, vgl. Alg. Begins. IX t. a. p., X no. 2 en XV nos. 13, 21 sub a—b en 25 sub c—d. Wie oordeelt dat de bedoelde arresten van 1857 en 1875 terecht incompetentie aannamen, en tevens van meening is dat elke, ook de louter praejudicieele beslissing gezag van gewijsde heeft, schijnt ook voor deze laatste tot dezelfde conclusie te moeten komen als de gemelde arresten deden voor het geval dat de rechter niet competent is in het praejudicieele geschilpunt als onderwerp van een zelfstandig geding. Hij • zou dus die conclusie óók moeten aanvaarden in gevallen als genoemd sub Alg. Begins. IX nos. 34—36, indien n.1. het onderzoek der bestuursdaad den rechter is ontzegd; vgl. Alg. Begins. IX no, 45 en XVI, alsmede no. 21 jo. no. 20 hierna.

Sluiten