Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet in een onderzoek te mogen treden, met gevolg dat hij ze onbewezen acht. Ook kan het voorkomen dat zeker punt praejudicieel is, doch voor den rechter, omdat hij het als vaststaande moet aannemen, geen kwestie of geschilpunt; b.v. ingevolge een voorafgaand gewijsde, door berusting van partij, of doordat de termijn is verstreken waarbinnen tegen een maatregel bij den rechter kon worden opgekomen, terwijl het doel van den termijn meebrengt dat, is hij ongebruikt voorbij gegaan, de maatregel onaantastbaar is geworden. — Een voorbeeld van het laatste is het volgende. Na verloop van den termijn van art. 41, respektievelijk art. 58 lid 2 der wet van 10 Nov. 1900 Stbl. 176 — vroeger artt. 9 en 20 lid 2 der wet van 12 Juli 1855 Stbl. 102 — is men niet-ontvankelijk in de ontkenning der schuldplichtigheid, en evenzoo in de hierop gegronde ontkenning der wettigheid van den omslag, in de aangehaalde artikelen bedoeld. De reden is dat deze beweringen dan geen onderwerp meer kunnen zijn van een geschilpunt, al worden ze als zoodanig opgeworpen in het verzet tegen een dwangbevel tot invordering van den omslag, bedoeld in art. 48 der wet van 1900 (art. 12 wet 1855). De rechter kan dus daarbij deze beweringen niet onderzoeken. Zie in dien zin Rb. 's Hertog. 30 Juni 1858 W. 2106, met overneming der motieven bevestigd door Hof N.-Brab. 15 Maart 1859 W. 2094. In dergelijke gevallen moge de wettigheid eener bestuursdaad praejudicieel zijn voor den rechter, ze is voor hem geen kivestie meer: hij heeft ze als vaststaande aan te merken.

Daarentegen is die wettigheid niet praejudicieel, hoewel een mogelijk geschilpunt, waar de rechter meent hiernaar geen onderzoek te moeten instellen, omdat bij onwettigheid der daad deze toch het rechtsgevolg zou hebben, waarop het aankomt in het gegeven geval. Dit kan het gevolg zijn eener speciale wetsbepaling. Zoo is een gemeenteverordening krachtens art. 150 lid 2 Gem. wet voor den rechter verbindend, ook al staat niet vast of lid 1 van dit artikel in acht is genomen, waaruit volgt dat dit laatste niet praejudicieel is voor den rechter. Vgl. ook Alg. Begins XVI. — Zie een analoog geval sub Alg. Begins. XV

Sluiten