Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

R.spr. 112 § 4, v. d. Hon. Sr. 1876 p. 18, de cassatie verwerpend tegen Hof N.-Holl. 1 Nov. 1875 W. 3928, P. v. J. 1875 Hfdbl. 45 (jis. 43, 44). Ygl. ook het hierboven geciteerde arrest Hof Amst. van 1885 (O. ad I i. f.). Oogenschijnlijk anders H. R. 12 Jan. 1858 W. 1924 (vgl. W. 1923), R.spr. 58 § 4, v. d. Hon. Sr. 1858 I p. 5. ]) Metterdaad is dit arrest echter niet in strijd met de voornoemde van 1875, 1876, 1885 en 1886. Deze vier n.1. betroffen traktaten waarin, zij het op uiteenloopende wijze, de regel was neergelegd dat een beklaagde niet mag worden bestraft wegens een ander delikt dan waarvoor hij is, of volgens het traktaat kon worden uitgeleverd. Zoo gold het in 1875, 1876 en 1885 art. 3 van het traktaat met Frankrijk van 7 Nov. 1844, K. B. 16 Jan. 1845 Stbl. 3 (zie nu art. 5 traktaat van 24 Dec. 1895, K. B. 2 Mei 1898 Stbl. 113), — in 1886 art. IV van het traktaat met de Vereenigde Staten van N.-Amerika van 22 Mei 1880, K. B. 19 Aug. 1880 Stbl. 162 (zie nu art IV traktaat van 2 Juni 1887, K. B. 9 Juni 1889 Stbl. 74). Daarentegen had het arrest van 1858 betrekking op het toenmalig traktaat met Portugal van 22 Juni 1854, K. B. 2 Nov. 1854 Stbl. 141, waarin geen bepaling voorkwam die de terechtstelling verbood wegens een delikt, waarvoor niet was of naar het traktaat kon worden uitgeleverd. (Anders art. 5 van het thans geldend traktaat van 19 Mei 1894, K. B. 29 Okt. 1896 Stbl. 168).

Het bovenstaande gaat uit van de meening eenerzij ds dat, daargelaten of bij de uitleveringstraktaten rechten voor beklaagden worden gevestigd, deze zich kunnen beroepen op het in werking getreden traktaat, als bindend de organen van den Staat voor wiens rechter zij komen. Echter mag aan den anderen kant de werkelijke strekking der traktaten niet worden uit het oog verloren. Vgl. hierbij, behalve de schrijvers over uitlevering, H. Triepel, Völkerrecht und Landesrecht (1899) p. 72, alsmede het slot der

1) Het verschil in casuspositie tusschen de arresten van 1858 en 1876, waarop wordt gewezen door Hulshoff, De Uitleveringswet (1886) p. 10 nt. 1 op art. 7, doet hier niet ter zake tengevolge van de motiveering dier arresten.

Sluiten