Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(waarbij is te letten op het hiervóór in no. 2 sub a gezegde over v. Sarwey's terminologie), en denzelfde in Marquardsen's Handbuch des öffentlichen Rechts in Monographiën I, n, 1 p. 158 v. o.; M. Seydel in Hirth's Annalen des deutschen Reichs 1885 p. 230—232; Bernatzik, Rechtsprechung und materielle Rechtskraft (1886) p. 154—180, 205, 218—233, en de aankondiging van dit werk door Lustkandl in Grünhut's Zeitschrift für das Privat- und öffentliche Recht der Gegenwart 14 (1887) p. 752—754; PRAzaK in Archiv für öffentliches Recht 4 p. 276 — 299; Wach, Handbuch des Civilprozessrechts I (1885) p. 86—88 en p. 107—110; O. Mayer, Deutsches Verwaltungsrecht I (1895) p. 217—219.

Voor het Fransche standpunt in deze vgl. Garsonnet, Traité de la proc. civ., 2e éd. II § 412 (p. 30—35), § 414 (p. 35—37), § 441 i. f. (p. 84 v. o.—85), §§ 443—452 (p. 86—100). Wat betreft de daar geciteerde Fransche wet van 15 Mei 1838 zie nu die van 12 Juli 1905 (Dalloz, Ree. pér. 1905 IV p. 71—90). Verder Chauveau-Adolphe, Principes de Compétence . . . . I p. 144—145; Dalloz, Répertoire i. v. Conflit no. 49 — 50, en i. v. Question préjudicielle, zie mede het Suppl. op het laatste woord. Vgl. ook W. B. A. 2845 (= 2840); O. Mayer zooeven geciteerd, en v. Sarwey. Das öffentl. Recht . . . p. 650.

Voor de litteratuur op art. 6 Sv. vgl. de verwijzing sub Alg. Begins. IX no. 27.

§ 2.

Invloed der praejudicieele geschilpunten op de rechterlijke competentie.

30. A. Veor de vraag, inhoever aan praejudicieele geschilpunten die tevens onderwerp zijn der ingestelde vordering (zie no. 4 hiervóór) invloed op de competentie der rechterlijke macht door de jurisprudentie wordt toegekend, vgl. Alg. Begins. IX nos. 44—46, nos. 53—61, en XV no. 25 sub c.

31. B. Voor de vraag naar den invloed van zuiver praejudicieele

Sluiten