Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geschilpunten, die als onderwerp van een afzonderlijk geding niet ter competentie zouden staan van de rechterlijke macht, op haar competentie voor de hoofdzaak, zie de jurisprudentie en litteratuur sub Alg. Begins IX nos. 26 en 32—43. Ygl. ook Red. in W. B. A. 2840 (= 2845) en PRAzaK, geciteerd hiervóór sub no. 19, p. 286—291 en p. 304. — Die invloed wordt me# erkend door de beslissingen, waarbij het beweerde niet mogen beoordeelen van zeker praejudicieel geschilpunt door den rechter, enkel grond tot niet-ontvankelijkheid is geacht, doch niet tot incompetentie. De tegengestelde beslissingen nemen bedoelden invloed wèl aan. Zoo ook de beslissingen, waarbij de competentie der rechterlijke macht afhankelijk wordt gesteld van een z.g. fundamentum petendi-, terwijl de beslissingen, die het objectum litis aannemen als maatstaf voor de competentie, aan de louter praejudicieele geschilpunten invloed hierop ontzeggen. Zie deze jurisprudentie op art. 2 R. O. sub D. — Eveneens wordt, voorzoover de jurisprudentie, enkel de dagvaarding als maatstaf voor de competentie erkent, hierdoor aan de praejudicieele geschilpunten door gedaagde opgeworpen, invloed op de competentie ontzegd; daarentegen is het omgekeerde het geval met de jurisprudentie, op dit punt in tegengestelden zin; zie op art. 2 R. O. sub C § 1. Ygl. ook aldaar sub E § 2.

Bij dit no. 21 (jo. het voorgaande no. 20) vgl. hiervóór no. 8 sub l.

33. C. Ten opzichte der competentie van den Kantonrechter zijn over de vraag of het zuiver praejudicieele geschilpunt, hier een zakelijk recht betreffend, daarop van invloed is, de volgende beslissingen gewezen:

a. Ontkennend beantwoordde deze vraag voor een vordering als bedoeld in art. 39 no. 1 B. 0.: H. R. 19 Jan. 1855 W. 1612, R.spr. 49 § 28, v. d. Hon. G. Z. 13 p. 102, casseerend het in tegengestelden zin gewezen vonnis van Ktg. Zuidhorn 8 Sept. 1853 W. 1493. Evenals de H. R., ook voor zulk een vordering, Ktg. Onderdendam 11 Dec. 1872 W. 3575, en Ktg. Vollenhoven 20 Aug. 1869 W. 3188, dit laatste vonnis met overweging dat

Sluiten