Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid. wet'R. O. — Alg. Begins. XIV, XV.

26 Juni 1857 W. 1927 (vernietigd door Rb. Amst. 13 April 1858 W. 1990). Zie nader vóór art. 38 R. O. — In gelijken zin uitdrukkelijk, voor het geval van een beroep van gedaagde op compensatie, Rb. Winschoten 3 Okt. 1871 W. 3513, waarbij intusschen dient te worden bedacht dat sommigen in zulk beroep zien een z.g. „rechtsverfolgende Einrede", gelijk te stellen met een eisch in reconventie; vgl. Parser, Het declaratoir vonnis, diss. Amst. 1903 p. 67—68; vgl. echter ook Faure in R. Mag. 13 (1894) p. 305—306, en de Paepe, Études sur la compétence civile I (1890) p. 186—187.

Bij dit no. 23 en bij het voorafgaande no. 22 vgl. nog no. 7 sub e hiervóór, alsmede Alg. Begins XV no. 3 sub d en no. 4 sub f.

XV. Taak van den competenten rechter ten opzichte der incidenteele en praejudicieele geschilpunten (vraagpunten). Zijn verhouding daarbij tot het administratief gezag. Gebondenheid van den rechter aan beslissingen van anderen. J)

§ 1

Bes rechters bevoegdheid tot het onderzoeken van praejudicieele en incidenteele geschilpunten (vraagpunten) in burgerrechtelijke en administratiefrechtelijke gedingen.

i. A. a. Incidenten, waartoe de instruktie van een geding aanleiding geeft, worden beoordeeld door den rechter, die van

!) De hier bedoelde verhouding van den rechter tot het administratief gezag wordt in dit hoofdstuk niet afzonderlijk, maar passim behandeld (vgl. echter speciaal § 3). Zie ook Alg. Begins. XVI voor het daar behandelde onderdeel van hetgeen onder XV in het algemeen wordt aangegeven. Bij hoofdstuk XV vgl. verder Alg. Begins. XVII.

Zoowel in § i als § 2 van hoofdstuk XV wordt, waar van een zelfstandig

Sluiten