Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

no. 22 hierna. De Jong-e's tweede voorbeeld is min gelukkig gekozen: daarbij n.1. is de praejudicieele kwestie deze, öf en wat het administratief gezag besliste, öf en welk pensioen is toegekend; voor die vraag alléén wordt de rechter gesteld, en van onthouding ze te beantwoorden is er hier geen sprake.

d. De bij de Jonge t. a. p. genoemde gevallen zijn van dien aard dat voor het (z. i.) aanwezige praejudicieele geschilpunt, ware het onderwerp van een afzonderlijk geding, het administratief gezag als rechter is aangewezen. — Waar binnen den kring der rechterlijke macht, een ander rechter (de Arr.-Rb.) dan die der aanhangige zaak (de Kantonrechter) is aangewezen, neemt de jurisprudentie meestal aan dat, behoudens wettelijke bepaling waaruit het tegendeel volgt (zoo art. 100 Rv.), de Kantonrechter toch de incidenteele of praejudicieele kwestie, b.v. over een zakelijk recht, zelfstandig heeft te onderzoeken. Zie, behalve no. 1 hiervóór, de arresten en vonnissen geciteerd sub Alg. Begins. XIY nos. 22 en 23, alwaar ook enkele beslissingen in anderen zin. — Ygl. ook Ktg. Voorburg 28 Juni 1854 W. 1631, van oordeel dat de Kantonrechter de geldigheid der in casu aangegane overeenkomst, hoewel deze praejudicieel was, niet mocht onderzoeken. Dit vonnis is overigens een curiosum, zie de noten er op in W. 1.1. — Ook schijnt ten opzichte van het onderzoek der praejudicieele kwestie, een ander standpunt dan dat in den regel gehuldigd door de jurisprudentie — geciteerd sub Alg. Begins. XIV nos. 22 en 23 — te zijn ingenomen door Rb. Arnhem 10 of 11 Sept. 1857 W. 1974, R. B. 1858 p. 97. Het gold een vordering wegens kosten van een werk, voor rekening van een beweerdelijk onderhoudsplichtige door een waterschap uitgevoerd. Bij arrest Hof Geld. van 2 April 1856, vermeld sub Alg. Begins. XIV no. 23, waartegen de H. R. de cassatie had verworpen op hier niet ter zake dienende gronden, was beslist dat deze vordering als persoonlijk ter competentie van den Kantonrechter stond, doch dat in het gegeven geval de Rechtbank competent was degens art. 157 Rv. Het gemelde vonnis der Arnhemsche Rechtbank van 1857 nam nu aan dat

Sluiten