Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de vordering niet-ontvankelijk was, omdat het praejudicieele geschilpunt over den onderhoudsplicht, die betwist werd, niette voren op een zakelijke rechtsvordering afzonderlijk was uitgemaakt. Deze beslissing, enkel gegrond op het zakelijk karakter van den onderhoudsplicht, waaromtrent de Rechtbank in dit geding zich niet bevoegd achtte te oordeelen, is in strijd met het hierboven aangegeven beginsel.

Als argument voor de heerschende — m. i. juiste — opvatting ten opzichte van het zelfstandig onderzoek van praejudicieele geschilpunten over zakelijke rechten door den Kantonrechter, zou kunnen worden aangevoerd dat artt. 53 en 54 R. O. alléén van „vorderingen" spreken, terwijl in het geding voor den Kantonrechter het praejudicieele geschilpunt over een zakelijk recht geen „vordering" betreft. Maar hecht dit argument niet te veel gewicht aan den vorm, voor de regeling der competentie van de Rechtbank door de wet gekozen, en komt het niet veeleer aan op het onderwerp dier competentie ? De strekking van artt. 53 en 54, in verband met artt. 38^en vlgg. R. O. en art. 129 Rv. is toch ongetwijfeld de bindende beslissing over zakelijke rechten aan de Rechtbank op te dragen met uitsluiting van den Kantonrechter, en daarom schijnt de hierboven bedoelde jurisprudentie (Alg. Begins. XIV nos. 22 en 23) mij toe slechts dan materieel niet in konflikt te komen met de wet, als men mag aannemen dat de praejudicieele beslissing van den Kantonrechter over zakelijke rechten, hieromtrent geen bindende uitspraak geeft. Vgl. het hier volgende no. 4.

Zie een toepassing van het in den aanhef van dit no. 3 gezegde sub no. 6 hierna. Bij het voorafgaande vgl., de iure constituendo, no. 26 hierna.

4. e. Yoorzoover praejudicieele of incidenteele beslissingen geen gezag van gewijsde hebben (vgl. Alg. Begins. XIII no. 4, XIV nos. 7 — 9), ligt het voor de hand, dat er geen reden is, waarom de rechter, zoo niet uit een specialen norm het tegendeel volgt, — vgl. nos. 14, (15), 21 en 22 hierna — ze niet zou mogen geven, al zou hij ze niet als zelfstandig onderwerp van geschil, en dan

Sluiten