Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een beslissing is gegeven over een burgerlijke rechtsbetrekking die element is van het delikt, bindend praejudicieert aan een later vonnis van den rechter in de civiele zaak, doch niet in dien vorm dat over bedoelde rechtsbetrekking met gezag van gewijsde is beslist. Een dergelijke bepaling nu kan een motief zijn voor den wetgever tot een voorschrift als dat van art 6 Sv., doch niet voor den wetstoepasser om aan te nemen dat de strafrechter over de burgerlijke rechtsbetrekking niet zou mogen oordeelen; vgl. hierna sub no. 27.

ö. h. De regel dat de rechter, de na te noemen uitzonderingen nu daargelaten, ook die praejudicieele geschilpunten zelfstandig onderzoekt, welke als onderwerp van een afzonderlijk geding niet tot zijn competentie zouden behooren, geldt zoowel voor de rechterlijke macht, hetzij in burgerlijke, hetzij in strafzaken (vgl. § 2 hierna), als voor den administratieven redder. Ook in de thans bestaande administratieve rechtspraak wordt hij gehuldigd. Het is geen beletsel dat het praejudicieele geschilpunt als onderwerp van een afzonderlijk geding zou staan ter competentie van de rechterlijke macht. Zie als interessant voorbeeld in militiezaken (de voorvraag of iemand wettig kind is) het K. B. van 10 Juli 1865 R. v. St. 5 p. 205—207 en 300—301. Zie mede, in een waterschapsaangelegenheid (de voorvraag of ouders met wettelijk vruchtgenot hierdoor hebben het zakelijk recht van vruchtgebruik), het K. B. van 18 Jan. 1906 W. B. A. 2956, R. v. St. 46 p. 120—124 jo. 45 p. 782—786; vgl. 1.1. p. 785 de bewering voor Ged. St. gevoerd dat alléén de burgerlijke rechter over de hier bedoelde voorvraag mocht beslissen. Hierbij vgl. ook K. B. 20 Febr. 1905 Stbl. 80, nader vermeld in § 3 hierna, betreffende onderhoudsplicht voor werken. Vooral ook in belastinggeschillen worden voorvragen over eigendom of erfrecht door het administratief gezag beslist. — Vgl. hierbij de Jonge, Admin. en Just. nt. 1 op p. 65; het slot van § 12 in het Verslag der Staats-Commissie voor de Admin. Rechtspraak, en § 36 der Mem. v. Toel. op het Ontw. Wetb. v. Admin. Rv. 1905; — (W. F.) Rochussen, Nijverheid en Overheid (1887) p. 219—220;

Sluiten