Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

J. J. Rochussen, Rechtspraak in geschillen tusschen belastingschuldigen enz., diss. Leiden 1895 p. 102—103 jis. p. 82—33, naar aanleiding waarvan vgl. Red. in W. B. A. 2407. Èn deze toenmalige Redaktie èn J. J. Rochussen t. a. p. meenen dat de hier aangeduide praktijk bij de tegenwoordige administratieve rechtspraak strijdt met art. 153 Grw. Dit zou m. i. slechts dan juist zijn, als aan deze praejudicieele beslissingen van de administratieve macht gezag van gewijsde zou moeten worden toegekend; vgl. J. v. G. Vitringa in R. Mag. 25 (1906) p. 548; H. Reuyl in R. Mag. 14 (1895) p. 530 —531; Roëll en Oppenheim in R. Mag. 21 (1902) p. 43 — 44; zie ook Alg. Begins. XIY no. 9. Zie mede op art. 2 R. O. sub C § 3 en Alg. Begins. XIV no. 8 sub l. Vgl. verder het hierna sub § 3 aangeteekende over de daar geciteerde arresten van den H. R. van 15 Juni 1886 én van 19 Mei 1891 in verband met dat van 20 Febr. 1893, betreffende de liggers voor onderhoudsplicht.

In het stelsel der wetsontwerpen voor de administratieve rechtspraak van 1905, waarbij deze wordt opgedragen aan een tak van de gewone rechterlijke macht, kan er geen sprake zijn van strijd met de Grondwet op dit punt, ook niet als aan deze praejudicieele beslissingen gezag van gewijsde zou toekomen.

Over de hier bedoelde praejudicieele kwesties in de administratieve rechtspraak vgl. verder nog v. Sarwey, geciteerd hiervóór in no. 4 sub e, p. 653—654; O. Mayer, Deutsches Verwaltungsrecht I (1895) p. 201 met nt. 23; Bernatzik, Rechtsprechung u. materielle Rechtskraft (1886) nt. 3 op p. 223—224. De iure constituendo: Reuyl, hierboven geciteerd, en de Red. in W. B. A. 2840 (= 2845). Vgl. ook hierna no. 26 en het slot van no. 1 hiervóór: de daar bedoelde kwesties van domicilie schijnen kwalijk het onderwerp te kunnen zijn van een afzonderlijk geding voor den burgerlijken rechter.

6. B. a. Een toepassing van den hiervóór sub nos. 1—3 aangeduiden regel, en wel speciaal van het in den aanhef van no. 3 gezegde, — is te vinden in de hier volgende overweging van Hof Arnhem 20 Dec. 1899 W. 7423, G. st. 2539, W. B. A. 2656

Sluiten