Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overeenkomst uitlegt; — alsmede, in geval de door laatstbedoelde partij verlangde meewerking ten onrechte mocht zijn geweigerd, te bevelen dat de hierdoor veroorzaakte schade moet worden vergoed. — Zoo H. R. 28 Dec. 1887 W. 5509, R.spr. 147 § 66, v. d. Hon. B. R. 53 p. 374, cf. Adv.-Gen. v. Maanen, die aanvoerde dat de rechter hier slechts beslist het geschilpunt omtrent de uitlegging der overeenkomst, en niet doet hetgeen partijen behooren te doen, n.1. het vaststellen van zekere opgaven van kosten, al kan die vaststelling uit 's rechters beslissing eventueel worden afgeleid.

8. c. De uitspraak des rechters kan worden ingeroepen ter beoordeeling eener vordering tot schadevergoeding, hierop steunend, dat een aardhaling niet civili modo geschiedde. — Zoo • H. R. 22 Maart 1889 W. 5692, R.spr. 151 § 50, v. d. Hon. B. R. 55 p. 135, P. v. J. 1889 no. 41 p. 1—2, dus implicite beslissend dat in zulk een vordering het laatstbedoelde geschilpunt door den rechter kan worden onderzocht.

® d. In de vordering van een concessionaris tegen een waterschapsbestuur tot schadevergoeding, heeft de rechter, bevoegd bestuursdaden te beoordeelen, voorzoover daardoor burgerlijke rechten zijn gekrenkt (hierover vgl. Alg. Begins. XVI), ook te onderzoeken of eischer voldeed aan de concessie-voorwaarden, als daarvan de beslissing afhangt. — Zoo Hof Gron. 4 April 1871 W. 3358, R. B. 1872 p. 453. — Vgl. ook Hof Amst. 27 Jan. 1899 W. 7238, P. v. J. 1899 no. 61, en Rb. Amst. 25 Febr. 1890 W. 5851 (contra O. M. zie P. v. J. 1888 no. 141); beide beslissingen van oordeel dat in de vordering van een concessionaris tegen een gemeente tot schadevergoeding wegens in strijd met de concessie opgelegde boeten, de rechter heeft te beoordeelen of de boeten terecht zijn opgelegd, ondanks de bepaling der concessie dat de concessionaris zich onderwerpt aan de beslissing van den Gemeenteraad, in beroep van B. en W., over de toepassing der opgelegde boeten. Vgl. ook op art. 1 R. O. sub G no. 24 jo. no. 34. — De conclusie van het O. M. vóór het hier vermelde arrest Hof Amst. van 1899 is opgenomen in W. 7237. Daarin

Sluiten