Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toe te passen. Zelfs nam de Rechtbank op dien grond aan incompetentie voor de geheele vordering, zie Alg. Begins. IX no. 38, en W. Tonckens aldaar geciteerd, die, hoewel tegen de incompetentverklaring, aanneemt dat de rechter de wettigheid van het aan gedaagde gegeven ontslag niet mocht onderzoeken. Ygl. verder Rb. Brussel 17 Dec. 1864 W. 2674 jo. 2672 p. 4, mede genoemd sub Alg. Begins. IX no. 38, en ook in den geest van het hierboven vermelde vonnis Rb. Arnhem van 1842. Ygl. nog het hier volgend no. 12 sub h, alsmede hierna sub no. 16 a. h. e.

Dat in geschillen betreffende liet inwendig recht van korporaties en andere instellingen, speciaal ook van kerkgenootschappen, de rechterlijke macht, afgezien van het geval dat het praejudicieel geschilpunt haar wettig mocht zijn onttrokken, dit zelfstandig heeft te beoordeelen, het toetsend aan statuten , en reglementen, dus casu quo ook aan het kerkrecht, en wel onafhankelijk van het oordeel van anderen, waar niet dit oordeel zélf voor den rechter praejudicieel is (vgl. Alg. Begins. XIY no. 10 en XVII), — is aangenomen o. a. door Hof 's Grav. 21 Jan. 1889, vermeld hierna in no. 12 sub h i. f., sub Alg. Begins. XVII en op art. 1 R. O. sub G no. 2. Het vonnis a quo, Rb. 's Grav. 28 Febr. 1888, mede t. a. p. geciteerd, had het eindoordeel der kerkelijke besturen praejudicieel geacht. Als dit arrest van 't Hof 's Grav. implicite ook H. R. 15 Juni 1888 en de verdere beslissingen, genoemd in no. 12 sub h i. f. hierna; vgl. ook Rb. Leeuw. 22 Mei 1890 W. 5917. — Ktg. 's Grav. 28 Dec. 1906 AV. 8484 toetste een kerkelijk reglement aan het B. W., zoodat de overweging in dit vonnis dat niet blijkt van het bestaan van een kerkelijk naast het burgerlijk recht, hoewel voor verschillende uitlegging vatbaar, niet schijnt te moeten opgevat als een ontkenning van het kerkelijk recht, voorzoover dit niet met de Staatswet strijdt. Zie verder Arbitrale uitspraak Amst. 23 Jan. 1869 W. 3104, R. B. 1872 p. 568, en implicite Rb. Amst. 17 Mei 1901 P. v. J. 1901 no. 84. — Vgl. sub Alg. Begins. XVII andere beslissingen, waarbij in gelijksoortige gevallen als de hier voorafgaande, praejudicieel werd geacht niet de feitelijke omstandigheid waarom

Sluiten