Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

publiekrechtelijke korporaties alléén kan ontstaan dooi eeno\eieenkoinst van toetreding die tot objekt heeft een privaatrechtelijke verbintenis. Deze opvatting is echter niet onbetwist (vgl. ook op art. 1 R. O. sub G no. 11). En al neemt men ze aan, dan nog rest de vraag of het geldt een vermogensrechtelijke verbintenis bij korporaties met andere dan ekonomische doeleinden. Vgl. Gierke, Genossenschaftstheorie (1887) p. 185. Zie ook aldaar p. 721—723 jis. 715—716. Vgl. ook Thorbecke in de Gids 1846 x p. 584—535 en Land, B. W. Ie ed., I p. 524 in de noot.

Bij dit no. 11 vgl., behalve het hier volgend no. 12, ook Alg. Begins. XVII, alsmede op art. 1 R. O. sub G nos. 2—4.

18. g. Ten opzichte van het praejudicieele (incidenteele) geschilpunt omtrent de hoedanigheid van partij als bestuur eenei korporatie of instelling (speciaal bij wijze van disqualificatoire exceptie opgeworpen) is de jurisprudentie in-de toepassing van den sub no. 1 hiervóór aangeduiden regel niet eenstemmig. Dit geschilpunt is hetzelfde in straf- en in burgerlijke zaken; (vgl. intusschen het in dit no. 12 sub k gezegde). Voor de eërste is

het volgende beslist:

De strafrechter moet bij een aanklacht wegens het niet voldaan hebben aan de aanmaning van een polderbestuur tot het verrichten van zeker werk van onderhoud, op de bewering van beklaagde dat het bestuur niet wettig gekozen was, dit onderzoeken. — Zoo H. R. 24 April 1882 W. 4779, R.spr. 130 § 55, v. d. Hon. G. Z. 33 p. 394. Vgl. ook Hof 'sGrav. 24 Juni 1882 W. 4781 in dezelfde zaak gewezen. — In gelijken geest als dit arrest van den H. R. van 1882, ook voor het praejudicieele geschilpunt van de hoedanigheid als polderbestuurder, mede in strafzaken, implicite: H. R. 20 Okt. 1863 W. 2543, R.spr. 75 §1, v. d.Hon. G. Z. 20 p. 352, en H. R. 25 Sept. 1860 W. 2209 p. 2, R.spr. 65 § 42, v. d. Hon. G. Z. 17 p. 171.

Anders echter voor ditzelfde geschilpunt in een burgerlijke zaak: H R. 17 (of 18) Febr. 1848 W. 930, R.spr. 29 § 74, v. d. Hon. G. Z. 7 p. 165, doch hier onder meer op grond van erkenning van het polderbestuur als zoodanig door de volgens

Sluiten