Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den H. R. daartoe bevoegde macht (Prov. Staten), blijkend uit de verleende machtiging tot procedeeren. Vgl. hieromtrent hierna sub § 3, alsmede sub Alg. Begins. XVII. — Het arrest van 1848 overwoog echter óók dat het onderzoek naar de oorspronkelijke min of meer regelmatige instelling van eenig bestaand en facto erkend staatsgezag, in elk bizonder geval is overgelaten, hetzij aan de beoordeeling van het gezag zelf waartoe de gekozene moet worden toegelaten, hetzij aan belanghebbenden in het zedelijk lichaam zelf, hetzij aan hooger staatsgezag, in het gegeven geval aan het gezag, aangewezen bij het hoofdstuk der Grondwet over den Waterstaat. — In de hier aangehaalde overweging volgde de H. R. misschien, op voetspoor der conclusie van Adv.-Gen. Gregory, een schijnbaar er mee verband houdende in het arrest H. R. van 2 Jan. 1846 W. 674, R.spr. 22 § 69, v. d. Hon. G. Z. 4 p. 1, R. B. 1846 p. 120, betrekkelijk kerkelijke reglementen. In 1846 betrof het echter de geheel andere kwestie of, hetzij zeker gezag, hetzij reglementen daarvan afkonjstig, wettig zijn, ingeval ze als zoodanig worden aanvaard door hen voor wie ze zouden moeten gelden; vgl. ook het slot van no. 15 hierna. — De verwijzing in het arrest van 1848 naar het hoofdstuk der Grw. over den Waterstaat doelde, mede blijkens de geciteerde conclusie van het O. M. en het arrest a quo, op den aanhef van art. 220 Grw. 1840 (— art, 222 Grw. 1815, zie nu art. 190 Grw. en art. 138 Prov. wet). — Het arrest a quo van Hof N.-Brab. 23 Febr. 1847 W. 801, R. B. 1847 p. 513, waartegen de cassatie werd verworpen, overwoog dat, nu het polderreglement overeenkomstig art. 220 Grw. 1840 de verkiezing van het bestuur opdroeg aan ingelanden, slechts deze en niet derden die niet in hun rechten konden gekrenkt zijn door een onwettige verkiezing, hiertegen konden opkomen. Verder dat de beoordeeling van dit punt naar de huishoudelijke reglementen niet behoorde tot de bevoegdheid van den rechter, niet alleen omdat het geen geschil van zuiver burgerlijk recht betrof, maar vooral omdat uit den aanhef van gemeld art. 220 volgde dat de beslissing omtrent de wettigheid

Sluiten