Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

R.spr. 33 § 8, v. d. Hon. G. Z. 9 p. 126, R. B. 1849 p. 225, hier ook op grond van erkenning der hoedanigheid als diaken door de bevoegde kerkelijke autoriteit. Vgl. daaromtrent sub § 3 hierna, alsmede sub Alg. Begins. XVII. — In gelijken zin als dit arrest van 1849, voor hetzelfde geschilpunt, ook Rb. Arnhem 15 of 17 Okt. 1842, en Rb. Brussel 17Dec. 1864, beide geciteerd sub no. 11 hiervóór; Rb. Assen 29 Jan. 1866 AV. 2877, R. B. 1867 p. 336; Rb. Appingadam 6 Febr. 1862 AV. 2373, bevestigd door Hof Gron. 28 April 1863 AV. 2505, R. B. 1864 p. 478, en Rb. Leiden 22 Jan. 1870 AV. 3180. — Anders dan de laatst geciteerde jurisprudentie, voor hetzelfde geschilpunt in kerkelijke zaken: Rb. Leiden 12 Febr. 1849 AV. 992, en Rb. Tiel 17 Juni 1870 AV. 3284, en implicite een reeks van beslissingen, inzoover daarbij de rechter het punt geheel zelfstandig onderzocht, zie hier onder h i. f. Er is wel verschil in casuspositie, inzoover het in 1887 en volgende jaren betrof een pretendentenstrijd, en er toen tevens geen erkenning der hoedanigheid door hooger kerkelijk gezag aaiAvezig was, gelijk bij het voormelde arrest H. R. van 1849. Maar welke aannemelijke grond is er om, zooals het hierboven sub g geciteerde arrest Hof N.-Brab. van 1847 deed voor polderbesturen, ten deze te onderscheiden naarmate de betwisting der hoedanigheid uitgaat van derden of niet? AVat de erkenning door hooger gezag aangaat, vgl. sub § 3 hierna.

Over de bovenstaande jurisprudentie — waaromtrent zie nader sub Alg. Begins. XVII — vgl. AV. Tonckens in zijn diss. op het hier voorafgaande no. 11 geciteerd, p. 46—47, 49, 100, 107—109, 131—133, en denzelfde in het Tijdschrift voor Ned. Regt van Oudeman en Diephuis, 7 (1874) p. 31 ja. p. 32. Tonckens is gevolgd door F. H. J. G. Dikema, Over de bevoegdheid der rechterlijke macht... in zaken betreffende vereenigingen ..., diss. Gron. 1886 p. 46.

In den geest der zooeven vermelde beslissingen der Rb. Leiden van 1849 en Rb. Tiel van 1870, overwoog ook Ktg. Schoonhoven 30 Okt. 1877 AV. 4285 (vgl. no. 1 hiervóór) dat de rechterlijke macht, waar tegen de vordering van een kerkelijk bestuur de

Sluiten