Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

betwisten, zoodat de vraag wie wettig gezaghebber is, voor vreemden niet is uit te maken. — Zoo Rb. Zierikzee 8 Dec. 1857 W. 1994, R.spr. 61 § 79. — De andere Staat was hier Peru; vgl. voor de feiten in deze procedure het vonnis t. a. p. of in de Pasicrisie, Alph. Ged. III i. v. Revind. beslag, no. 18. — Voor de stelling der Rechtbank, dat naar het Volkenrecht de ééne Staat niet heeft te beslissen of hij die in een anderen Staat het hoogsto gezag uitoefent, daartoe gerechtigd is, doch slechts rekening heeft te houden met het feitelijk uitoefenen van dit gezag, vgl. Bonfils, Manuel de Droit international public, 4e éd. (1905) no. 683 (p. 370—371); F. v. Liszt, Das Völkerrecht, 2e ed. (1902) p. 105 (§ 13, I, 1); v. Holtzendorff in diens Handb. des Völkerrechts, I (1885) p. 52 v. o. en II (1887) p. 83 v. o.; H. Triepel, Völkerrecht u. Landesrecht (1899) p. 231 nt. 1; Heilborn in v. Holtzendorff's Encyklopadie der Rechtswissenschaft, 6e ed. (1904) II p. 1001 sub III; L. Oppenheim, International Law I (1905) § 343 i. f, (p. 405—406); E. Nys, Le droit international II (1905) p. 325—326.

Het hier vermeide vonnis achtte het opgeworpen geschilpunt over de staatsrechtelijke wettigheid van het buitenlandse!) gezag, door het Volkenrecht onttrokken aan de beoordeeling van den Nederlandschen rechter, met gevolg dat het feitelijk gezag als wettig moest aangemerkt, m. a. w. dat de vraag naar de staatsrechtelijke wettigheid niet meer ter zake afdeed. De inkleeding van het vonnis leidt er echter wel toe te meenen dat de Rechtbank praejudicieel achtte de wettigheid van het gezag in den vreemden Staat, dat als zoodanig was opgetreden, — doch dat zij tevens zichzelf door het Volkenrecht gebonden hield om het feitelijk gezag als het wettige aan te merken. Daar intusschen de regel van het Volkenrecht, waarop de Rechtbank zich blijkbaar wilde beroepen, deze is dat de ééne Staat enkel te maken heeft met het in een anderen Staat feitelijk uitgeoefend wordende gezag, zoodat de vraag naar de staatsrechtelijke wettigheid van dat gezag in het geheel niet moet worden gesteld, — zal wel mogen worden aangenomen dat ook de Rechtbank in dien zin bedoelde te

Sluiten