Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beslissen, m. a, w. dat zij de wettigheid van het buitenlandsche gezag in het geheel niet praejudicieel achtte. Het geval is m. i. analoog aan dat eener gemeenteverordening, waarvan het kwestieus is of zij niet is onwettig, als tredend op het gebied van een hoogeren wetgever, terwijl krachtens art. 150 lid 2 Gem.wet voor den rechter die vraag niet praejudicieel is, daar hij de verordening toch als verbindend heeft te beschouwen, vgl. Alg. Begins. XIV no. 10.

Een soortgelijk standpunt als dat der Zierikzeesche Rechtbank in het hierboven besproken vonnis ten opzichte van het buitenlandse!) gezag, is op het gebied van den eigen Staat ingenomen, doch in het geval van aanwezig geachte erkenning door het hiertoe bevoegde gezag, voor besturen van waterschappen in het onder no. 12 sub g hiervóór geciteerde arr. H. R. van 1848. Het t. a. p. mede genoemde arr. H. R. van 1846 nam voor de reglementen van kerkgenootschappen —■ en zedelijke lichamen in het algemeen (vgj. p. 209 nt. 1) — aan dat deze, onverschillig hun oorsprong, als wettig moeten gelden, zoo ze zijn aanvaard door het zedelijk lichaam zelf. Hierbij erkende dit laatste arrest tevens uitdrukkelijk 's rechters bevoegdheid om verordening of reglement aan de wet te toetsen. —Vgl. nog hiervóór no. 12 sub li in den aanhef voor het daar geciteerd arr. H. R. van 15 Juni 1849.

Kt. d. De vraag of onroerende goederen, die aan buitenlandsche geestelijke gestichten toebehoorden, tengevolge van de vernietiging dier gestichten tijdens de Fransche heerschappij, zijn vervallen aan den Staat waarin die goederen liggen, heeft betrekking tot het Europeesche Staats- en Volkenrecht en kan dus niet door den burgerlijken rechter, maar moet langs diplomatieken weg worden beslist. — Zoo Hof Geld. 10 Febr. 1841 Hertzveld, Onuitg. burg. regtspr. Hof Geld. p. 25—26.

Dit arrest staat niet op één lijn met het vonnis in het hier voorafgaande no. 15 geciteerd. Daar nam de Rechtbank het Volkenrecht tot richtsnoer voor haar beslissing. Het hier weergegeven arrest echter huldigt de, m. i. bedenkelijke, leer dat de burgerlijke rechter in het geheel niet mag onderzoeken wat

Sluiten