Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

coöperatieve vereeniging, waarbij zijn opgenoemd de gevallen, waarin ontzetting uit het lidmaatschap kan geschieden, te bepalen dat over de aanwezigheid dier gevallen bestuur en ledenvergadering beslissen, met uitsluiting van 's rechters onderzoek in een vordering te zijner competentie (hier de eigendomsaktie tot ontruiming) der daarin zuiver praejudicieele vraag of een dier gevallen aanwezig is. Intusschen schijnt het kwalijk denkbaar dat de H. R. de machtiging om bij de statuten zulk een werkelijk praejudicieel geschilpunt aan de rechterlijke macht te onttrekken, zou opgesloten hebben geacht in art. 15 der wet van 1876, waarop het arrest zich beroept; zoo iets toch is uit dit artikel moeielijk af te leiden. In het gegeven geval waren er voorafgaande beslissingen van bestuur en ledenvergadering. Mocht al het geciteerde arrest gebondenheid hieraan van den rechter hebben aangenomen, op grond dat daarna voor hem geen geschilpunt zou zijn overgebleven (vgl. hierna sub § 3 jo. Alg. Begins. XIV no. 10), — dan nog kan hieruit niet worden opgemaakt dat de H. R., ook als bij statuten een werkelijk praejudicieel geschilpunt zou zijn onttrokken, zulk een bepaling als geldig zou erkennen, en den rechter tot oordeelen niet bevoegd achten, ook zonder dat er een voorafgaande beslissing was van den bij de statuten daartoe aangewezene. Buitendien echter is het zeer twijfelachtig dat de H. R. in het gegeven geval aanwezig zou hebben geoordeeld een de rechterlijke macht bindende daad van rechtspraak der organen van de vereeniging, al dan niet gelijkstaande met een arbitrale uitspraak (vgl. op art. 1 R. O. sub G nos. 9—11). — Vooral ook met het oog op het hierboven aangehaalde arrest a quo, Hof Amst. 18 Febr. 1898, zou ik meenen dat de H. R., nu het Hof de statuten zóó had uitgelegd dat een lid kon worden vervallen verklaard, als naar het oordeel van bestuur (en ledenvergadering) een der statutaire gronden hiertoe aanwezig was, — in cassatie aan deze uitlegging gebonden, als praejudicieel aanmerkte, niet de aanwezigheid zelf van een dier statutaire gronden, doch enkel het oordeel hieromtrent van bestuur en ledenvergadering. Zie nader de jurisprudentie sub Alg. Begins. XVII.

Sluiten