Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omtrent zie nos. 23 en 24 hierna. Ygl. ook het volgend no. 20.

30. c. Ingevolge de bepaling in een kerkelijk reglement, dat de lidmaten tegen een kerkelijk goedgekeurden aanslag in bijdragen (kerkelijke belasting; over deze benaming vgl. W. Tonckens, geciteerd sub no. 11 hiervóór, p. 130; vgl. ook H. v. Manen, mede t. a. p. aangehaald, p. 128—129) kunnen reklameeren bij het kerkelijk gezag, waaraan de eindbeslissing is opgedragen, — is de rechterlijke macht in een vordering tot betaling dier kerkelijke bijdragen, niet bevoegd te treden in een beoordeeling der vraag of gedaagde, zooals hij beweert, te koog is aangeslagen. Gedaagde had kunnen reklameeren bij de kerkelijke autoriteit. - In dien zin Ktg. Woerden 18 Dec. 1854 W. 1669, blijkbaar de opdracht der beslissing op reklames tegen den aanslag aan het bedoelde kerkelijk gezag aanmerkend als rechtspraak over dien aanslag. Het gold hier een Israëlitisch kerkelijk reglement. Vgl. ook art. 13 van het Alg. Regl. op het beheer der kerkelijke goederen van de Hervormde gemeenten in Nederland, enz. d.d. 1 Juli 1895. (Douwes en Feith, Kerkelijk Wetboek, 3e ed. 1898 p. 292; L. Overman, Reglementen voor de Ned. Herv. Kerk, 12e ed. 1906 p. 214).

De juistheid der hier geciteerde beslissingen en dan ook van het in denzelfden geest gezegde door H. v. Manen in zijn sub no. 11 hiervóór geciteerde diss. p. 130—131, kan worden betwijfeld, ook al neemt men aan dat het kerkelijk reglement hier rechtsgeldig rechtspraak opdroeg over den aanslag aan eigen organen. Immers volgt daaruit nog niet dat aan de rechterlijke macht in het te harer competentie staande geding over schuldvordering, wettig kon zijn onttrokken het praejudicieele geschilpunt over den aanslag, zelfs al kon dit als integreerend deel van het onderwerp der vordering (op grond dat de aanslag de schuldvordering deed ontstaan), door den rechter slechts bindend worden beslist, en al was zulk een bindende beslissing door de rechterlijke macht misschien niet overeenkomstig de bedoeling van het reglement. Vgl. nader sub no. 24 hierna en aldaar in den aanhef de verwijzing naar art. 1 R. O. sub G. — Buitendien, mocht werke-

Sluiten