Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit, omdat de onwettigheid van den aanslag lner niet is de van de vordering onafscheidelijke grondslag, maar een louter praejudicieel geschilpunt.

e. Daar de aanslag bij een condictio indebiti (eventueel ook bij een verzet, vgl. het hierboven sub d gezegde), al steunt die vordering op bezwaren tegen den aanslag, slechts louter praejudicieel behoeft te worden onderzocht (zie hierboven sub d), kan een verbod tot zulk onderzoek niet worden afgeleid enkel uit het feit dat een ander is aangewezen, -zelfs bij uitsluiting, om over de wettigheid van den aanslag een bindende beslissing te geven. Hiermee is echter nog niet gezegd dat het'louter praejudicieele onderzoek van dit punt den rechter, bij wien de condictio indebiti of het verzet wordt ingesteld, niet om andere redenen kan zijn ontzegd. Immers kan dit ook worden afgeleid uit de wijze, waarop de wet de beslissing over bet bedoelde geschilpunt aan een ander opdraagt, als n.1. moet worden aangenomen^ dat de rechter met die wetsbepaling in strijd zou komen, zelfs bij louter praejudicieel onderzoek van liet geschilpunt, dus zonder het bindend te beslissen (vgl. Alg. Begins. XIV no. 7 sub d jo. no. 4 sub a, vgl. ook 1.1. no. 7 sub e). Zóó, naar het mij voorkomt, bij bepalingen, waarvan de kennelijke strekking is dooi het stellen van een korten termijn, waarbinnen bezwaren tegen den aanslag moeten worden gebracht bij een administratieven rechter, boven twijfel te verheffen het al dan niet wettige van den aanslag na liet verstrijken van dien termijn; vgl. Alg. Begins. XIV no. 10. Zie art. 19 wet 27 April 1906 Stbl. 72, en art. 265 Gem.wet. — Ten opzichte van laatstbedoeld artikel vgl. voor het verzet: H. R., arresten van 9 Mei 1890 en van 31 Dec. 1891, geciteerd sub Alg. Begins. IX no. 58; en voor de condictio indebiti: Rb. Amst., vonnissen van 9 Maart 1893 en van 15 Jan. 189o, geciteeid t. a. p. sub no. 56. — Overigens is het de vraag,

bij gemeente- en Rijks-direkte belastingen de wettigheid van den aanslag in een condictio indebiti wel praejudicieel kan zijn; zie Alg. Begins. XH no. 18. Zoo niet, dan kan het hierboven gezegde slechts op beperkt gebied praktisch belang hebben. —

Sluiten