Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nota van 5 Nov. 1813. — Zie mede A. Bertauld, Questions et exceptions préjudicielles en matière criminelle (1856) nos. 55—59, p. 73—78.

b. In overeenstemming met bovenstaande arresten van 1885 en 1896 is de jurisprudentie, waarbij is overwogen, dat nergens bij de wet in het algemeen is bepaald dat de rechter in strafzaken onbevoegd zou zijn om te beslissen over vraagpunten van burgerlijk recht, die in het geding mochten rijzen, zoodat, is er geen geschilpunt van burgerlijk . recht (vgl. Alg. Begins. XIV no. 2 sub c), de strafrechter zulke vraagpunten zelf onderzoekt. —

Zoo H. R. 5 Nov. 1906 W. 8454 p. 3, R.spr. 204 §10, P. v. J. 691. _ Zie in gelijken zin de vroegere jurisprudentie van den H. R. bij Léon—Hulshoff no. 6 op art. 6 Sv. Zie verder H. R. 14 Mei 1856 W. 1871 p. 1—2, R.spr. 53 § 13, v. d. Hon. G. Z. 12 p. 434, en Léon — Teixeira no. 3 jo. no. 2, nos. 35, 41, 43, 47 (Suppl. I), vgl. ook no. 11, alles op art. 6 Sv. — Vgl. mede Hoffman, hierboven sub a geciteerd, 1 no. 218, p. 362 363. Zie verder § 261 lid 1 der Duitsche Strafproz. Ordnung, en daarover Glaser, Handb. des Strafproz. II (1885) p. 89 nt. 3. — Vgl. ook hiervóór p. 203 v. b. x)

c. Ook is met de boven geciteerde arresten van 1885 en 1896 in overeenstemming de jurisprudentie, waarbij is beslist, dat

i) Over art. 6 Sv. zie de Pinto, Handl. Wetb. v. Sv. II (1882) § 6, en de verdere litteratuur, geciteerd bij Léon—Teixeira op het art. sub no. 44 i. f., en bij Léon-Hulshoff vóór no. 1 op meergemeld artikel.

De iure constituendo zie A. A. de Pinto in Hand. Jur.-Vereen. 1879 I p. 66, waarbij echter is te vergelijken het gezegde door A. E. J. Modderman

in Themis 1867 p. 95-100, alsmede F. Buus, Prejudicieele Geschillen in het Strafproces, diss. Amst. 1899 p. 8-9, 12-14, — en wat betreft de ratio van

art. 6 Sv , de concl. O. M. vóór het hierboven sub b aangehaalde arr. H. R.

van 5 Nov. 1906, en de zooeven geciteerde diss. van Buus p. 2—16. — Vgl.

ook § 261 j°. § 260 der Duitsche Strafproz. Ordnung, en daarover D. Simons,

Handl. Sv., 3e ed. 1901, p. 66; Buus 1.1. p. 32—38.

Over de bij Simons t. a. p. aangestipte kwestie betreffende het gezag van

het na schorsing der strafzaak gewezen burgerlijk vonnis voor den strafrechter,

hierna no. 65 j". no. 64. Vgl. mede hiervóór no. 4 i. f.

Sluiten