Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in zake Rijks-direkte belastingen, waarbij de vraag rijst of het admin. gezag over den belastingplicht niet te voren moet hebben beslist.

Het eerstgenoemde geval betreft artt. 169 vlgg. C. P., zie nu art. 359 Swb. — de Jonge volgt hierin de Fransche leer (vgl. zijn noten t. a. p.), waaromtrent zie ook, behalve de door de Jonge geciteerden : A. Morin, Répertoire général. . . du droit criminel II (1851) i. v. Questions préjudicielles no. 34 jis nos. 31—33 aldaar. Blijkens diens uiteenzetting heeft deze leer haar grond in de voor ons recht niet geldende Fransche opvatting van de séparation des pouvoirs, een opvatting die zóóver gaat dat zij zelfs de interpretatie van actes administratifs aan de rechterlijke macht ontzegt (zie nader Alg. Begins. XVI no. 36). Vgl. ook Delisle, Principes del'interprétation des lois, des actes... II (1852) p. 262 — 263, Beetauld, geciteerd hierboven sub a i. f., no. 70, p. 90—91, en Hoefman, mede t. a. p. geciteerd, III nos. 577-582, p. 89—97 jo. lino. 441 sub 4o., p. 366. — Deze laatste schrijver meent 1.1. no. 578, p. 92, dat de strafrechter, het slot van rekening onderzoekend, een daad van administratie zou verrichten. Deze zienswijs miskent m. i. geheel het karakter van 's rechters praejudicieel onderzoek; vgl. hiervóór p. 153 sub no. 4, en p. 164 sub d. Naar ons recht geldt niet de Fransche leer omtrent administratiefrechtelijke praejudicieele geschilpunten (vgl. hiervóór p. 191, zie ook Alg. Begins. XVI no. 36), en gaat het beroep van de Jonge op Fransche jurisprudentie en litteratuur dan ook niet op. — Zie overigens no. 42 hierna, speciaal sub d. (Vgl. ook de noot op p. 249 jis. p. 195—196 biervóór.)

De door de Jonge in de tweede plaats genoemde uitzondering voor het misdrijf van valsche munt steunde op de toenmaals van kracht zijnde wettelijke bepalingen, hierboven geciteerd. Uit art. 14 lid 2 der wet van 28 Mei 1901 Stbl. 130 volgt echter dat thans een ander stelsel geldt, en de strafrechter niet gebonden is aan de ook nu voorgeschreven voorafgaande uitspraak van den controleur-generaal. — Vgl. ook art. 25ter deiwet van 19 Sept. 1852 Stbl. 178, tekst bekend gemaakt bij K. B. van 5 Dec. 1901 Stbl. 235.

Sluiten