Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitdrukkelijk ook op de opdracht der zuiver administratieve beschikking aan B. en W., heeft het den schijn, als stond het arrest van 1902 feitelijk op het standpunt dat in het algemeen de strafrechter de wettigheid van bestuursdaden niet zelfstandig zou mogen beoordeelen, doch gebonden is ook aan een zuiver administratieve beslissing als zoodanig, mits behoorende tot de formeele competentie van hem, die ze gaf. Ook de verwijzing in het arrest naar het voor den rechter afgesloten gebied van het administratief gezag kan, denkt men enkel aan de administratieve beschikking van B. en W., tot deze gevolgtrekking leiden. Maar omdat hier alléén ter sprake kwam het geval dat tegen zulk een beschikking beroep openstaat bij den administratieven rechter (hier de administratie zelf), volgt uit de geciteerde overweging m. i. niet meer dan dat de H. R een toepassing bedoelde der reserve van het arrest van 16 Nov. 1885, al stond misschien dit arrest zelf hem hierbij niet voor oogen. Ygl. Alg. Begins. XVI no. 6 sub f, en XVI no. 27 met de daar vermelde vonnissen van Ktg. Goes 2 Juni 1906, Rb. Middelb. 21 Sept. 1906, en 21 Nov. 1902.

Bij dit no. 36 zie ook no. 42 sub c hierna. J)

!) Met het in den tekst geciteerde arrest van 10 Maart 1902 vgl. ook de hierna in nos. 88—93 vermelde jurisprudentie omtrent de gebondenheid des strafrechters aan de administratieve liggers in zake onderhoudsplicht van werken. Ook daarbij zijn, evenals bij het arr. van 1902 vaak in één adem genoemd de administratieve beschikking en de rechtspraak hierover door de daartoe aangewezen administratieve autoriteit. Hiervoor kan een gereede verklaring worden gevonden èn in de bij deze en dergelijke aangelegenheden dikwijls gebruikelijke terminologie, die hier van beroep spreekt, waar men geen hooger beroep heeft, maar rechtspraak in eersten aanleg, èn in de opdracht dier rechtspraak aan de administratie zelf. — Ten opzichte van den onderhoudsplicht bestaat er buitendien verschil van meening over de vraag, of de aanwijzing in provinciale reglementen van Ged. Staten, enz. voor het vaststellen der liggers van wegen, etc., te beschouwen is als het toekennen van rechtspraak, of van een zuiver administratieve funktie. En ook is het dubieus of bij de beslissingen van Ged. St. op reklames tegen de liggers, aan rechtspraak moet gedacht dan wel aan een louter administratieve controle. Zie nader nos. 51 en 94 sub c hierna.

Sluiten