Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

40. g. Twijfelachtig (zie hieronder sub h) is het ook, of met de reserve, gemaakt in het hiervóór sub no. 27 geciteerde arrest van 1885, in overeenstemming is de jurisprudentie, waarbij is aangenomen dat in belastingzaken de strafrechter de belastingplichtigheid zelfstandig onderzoekt, ondanks de opdracht der beslissing op bezwaren tegen den aanslag aan het admin. gezag. Bij deze jurisprudentie is ook de gebondenheid van den strafrechter aan een voorafgaande beslissing van het administratief gezag vaak ontkend ; vgl. hierna no. 63.

Ten opzichte der nu ingetrokken wet op het Patentrecht van 21 Mei 1819 Stbl. 34 besliste H. R. 3 Dec. 1861 W. 2331, R.spr. 69 § 25, v. d. Hon. Bel. 8 p. 342, R. B. 1862 p. 399 (in W. 2320 p. 2 een overzicht der pleidooien) — casseerend het in tegengestelden zin gewezen arrest Hof Zeeland 10 Juni 1861 W. 1.1. — dat de strafrechter zelfstandig de belastingplichtigheid had te onderzoeken, ondanks de opdracht der beslissing van geschillen over den aanslag aan het administratief gezag. — In gelijken zin implicite (door niet ambtshalve te casseeren) H. R. 21 Maart 1892 W. 6165, R.spr. 160 § 54, v. d. Hon. Bel. 13 p. 200, P. v. J. 1892 no. 51, de cassatie verwerpend tegen Hof Amst. 25 Nov. 1891 W. 6122, P. v. J. 1891 no. 99, welk laatste arrest, mèt het vonnis a quo, Rb. Amst. 19 Juni 1891 W. 6122, P. v. J. 1891 no. 59, overwoog dat de strafrechter bedoeld punt zelfstandig had te onderzoeken. — Insgelijks Hof Geld. 21 Jan. 1845 W. 618, R. B. 1845 p. 455, en Rb. Gron. 13 Okt.,1881 W. 4759, R. B. 1881 D p. 99, P. v. J. 1881 Hfdbl. 45 (concl. O. M. 1.1. no. 44). — Daarentegen besliste in den zin van het hierboven geciteerde arrest Hof Zeeland van 1861 ook Rb. Arnhem 14 Juli 1854 W. 1598.

Noch in 1861, noch in 1891—1892 was er een voorafgaande beslissing van Ged. Staten aangaande het loopende dienstjaar (wèl over vorige jaren, doch daarom dan ook over een andere belastingplichtigheid, denzelfden persoon betreffend). Echter overwoog het geciteerde vonnis Rb. Amst. van 1891 dat, zelfs als er een voorafgaande beslissing van Ged. Staten over dezelfde

Sluiten