Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zaak ware geweest, de strafrechter hieraan niet zou zijn gebonden.

In dien laatsten zin oordeelde ook onder de vroegere wet op de Personeele belasting van 29 Maart 1833 Stbl. 4 (vgl. artt. 38, 39, 45 dier wet) H. R. 18 Sept. 1855 W. 1684, R.spr. 51 § 7, v. d. Hon. Bel. 6 p. 194, W. B. A. 332. Aldus ook Hof Geld. 27 Febr. 1849 W. 1003 (de beslissing van Ged. Staten betrof hier een vorig dienstjaar, doch da&rop beriep het Hof zich niet). — Zie het in no. 63 hierna vermelde vonnis Rb. Rott. van 2 Maart 1899, naar aanleiding der tegenwoordige wet op de Personeele belasting. — Voor de oude wet van 1833 besliste H. R. 20 Mei 1845 W. 665, R.spr. 20 § 70, v. d. Hon. Bel. 2 p. 223 in gelijken zin als het boven vermelde arrest van 1861 voor het Patentrecht.

In den geest der hier geciteerde jurisprudentie vgl. ook Hof 's Hertog. 3 April 1901 W. 7661, nader vermeld in no. 62 hierna.

Vgl. in den zin van bovenstaande jurisprudentie F. B. Coninck Liefsting in Bijdr. St.-best. 10 p. 41—45. — Anders G. A. Fokker 1.1. 4 p. 92—98, en R. Adv. 3 p. 39. — Vgl. ook W. A. C. de Jonge, Admin. en Justitie p. 62, en in Bijdr. St.-best. 14 p. 286—293; J. J. Rochussen, Rechtspraak in geschillen tusschen belastingschuldigen enz., diss. Leiden 1895 p. 104—107; Hand. Tweede Kamer 1860-^-1861 p. 882—886.

h. Of de hier vermelde jurisprudentie al dan niet in strijd is met de reserve van het in no. 27 genoemde arrest van 1885, hangt af van de beantwoording der vraag, of de opdracht deibeslissing op bezwaren tegen een belastingaanslag aan het administratief gezag, dit gezag voorbehoudt de beslissing over een der kenmerken van het belastingdelikt, te weten de belastingplichtigheid. Nu is opdracht der beslissing over den aanslag daargelaten of ze gelijk staat met die over de belasting.se/iwW (vgl. hiervóór no. 21 sub c, p. 229—231), in elk geval niet hetzelfde als die over de belastingplichtigheid, de „Haftung" (vgl. p. 230 nt. 1). Wèl is handhaving van den aanslag noodzakelijk

Sluiten