Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tevens erkenning dier belastingplichtigheid, en sluit daarom m. i. de opdracht van beslissing over den aanslag in zoover mede in die over de belastingplichtigheid. — Maar hieruit volgt nog niet dat, nu de wet de beslissing over den aanslag voorbehoudt aan het administratief gezag, aan dit gezag óók is voorbehouden elke beslissing over de belastingplichtigheid, het aan belasting onderhevig zijn. Immers, wie over het laatste beslist, beslist daarom nog niet per se tevens over den aanslag, welks vernietiging dan ook niet behoeft te berusten op ontkenning der belastingplichtigheid. — Het komt mij dus voor dat de in dit no. 40 opgenomen jurisprudentie de bedoelde reserve van het arrest van 1885 niet verwaarloost. — Denkt men daarover anders, dan is de genoemde jurisprudentie toch — afgezien hier van de vraag naar de gebondenheid des strafrechters aan voorafgaande beslissingen van het administratief gezag, waarover vgl. voor deze materie no. 63 hierna — slechts dan onjuist, als de meergemelde reserve van het arrest van 1885 gegrond is. Voor dit laatste punt vgl. hierna no. 42, speciaal sub b.

<41. i. Gelijke twijfel als bedoeld in den aanhef van het voorgaande no. 40, rijst ten aanzien der hier volgende beslissingen.

Dat de strafrechter in een vervolging, steunend op art. 102 jo. art. 61 lid 2 der Ongevallenwet 1901 Stbl. 1, zelfstandig heeft te onderzoeken, of er is een verzekeringsplichtig bedrijf, en zich hierdoor niet begeeft op een gebied, uitsluitend behoorend aan daarvoor bizonder aangewezen administratiefrechterlijke colleges (Raden van beroep en Centrale Raad), is implicite aangenomen door Rb. Zwolle 21 April 1904 W. 8098, en in appèl door Hof Arnhem 28 Juni 1904 W. 1.1., P. v. J. 360; zie de noot van den Inzender in "VV. 1.1. — Vgl. hierbij het Verslag der Comm. van Voorbereiding van de Tweede Kamer en het Reg.-Antw. betreffende de Beroepswet 1902 Stbl. 208, Bijln. Handn. 1901—1902 no. 78 sub 5o. § 7 p. 39 en 40, de rede van den Min. van Justitie (Loeff) in Hand. 2e Kamer 1901—1902 p. 1655 kol. 2, en de opmerking der Regeering in Bijl". 1.1. no. 78 sub 7°. ad art. 1, dat de strafrechter nooit oordeelt over beslissingen der Rijksverzekeringsbank. Dit moge waar zijn,

Sluiten