Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van 1885 mag aanvoeren dat, zoo men ze niet aanvaardt, hij die het laat aankomen op het oordeel van den strafrechter (een handelwijze, die niet op één lijn staat met het instellen eener vordering, waardoor een competentiebepaling zou worden ontdoken — vgl. hiervóór p. 237 v. b. ja. p. 201), — de bepaling zou kunnen ontduiken, welke de opdracht van beslissing aan het administratief gezag inhoudt. Deze bepaling kan toch niet prevaleeren boven de rest van de wet of verordening.l)

b. Overigens mag m. i. niet gezegd dat de opdracht dér uitspraak over zeker geschilpunt aan het administratief gezag steeds illusoir zou worden, als de strafrechter hetzelfde punt praejudicieel onderzoekt. Of dit zoo is, hangt af van het gegeven geval, maar men houde in het oog dat met grond kan worden betwijfeld, of de strafrechter over de elementen van een delikt op zich zelf, een bindende beslissing geeft (met gezag van gewijsde), waaromtrent vgl. nos. 58 j°. 57 hierna, en p. 164 nt. 1. Is de bedoelde beslissing over de elementen niet bindend, dan vervalt althans deze reden om aan te nemen dat de opdracht aan het administratief gezag krachteloos zou worden gemaakt bij zelfstandig, doch dan immers louter praejudicieel onderzoek door den strafrechter. Deze „beslist" dan over zulk element niet in denzelfden zin van dit woord, waarin de „beslissing" daaromtrent (d. w. z. de bindende) is opgedragen aan het administratief gezag.2)

!) Dat de in den tekst aangeduide moeielijkheid zich niet voordeed in de gevallen, waarop nos. 36—38 hiervóór betrekking hebben, ligt hieraan, dat hetgeen daar den schijn had van een fait justiflcatif, het inderdaad niet was, zoodat veroordeeling kon volgen zonder in botsing te komen met het beginsel van art. 391 Sv.

2) B.v.: art. 16 lid 2 der Begrafeniswet van 1869 bedoelt met «beslist», een bindende beslissing. Daarom zou m. i., oordeelt men dat de strafrechter over de bestanddeelen van het delikt op zich zelf, niet bindend beslist, dit art. 16 lid 2 niet in den weg staan aan een zelfstandig onderzoek — bij ontstentenis van voorafgaande beslissing door Ged. Staten — van het daar bedoelde punt door den strafrechter in een vervolging, steunend op art. 41 aanhef en no. 1 j°. art. 1 lid 1 dier wet, wegens liet begraven op een niet overeenkomstig de Begrafeniswet aangelegde begraafplaats.

Sluiten