Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

administratief gezag als rechter, dan zou hetzelfde moeten gelden bij opdracht aan den burgerlijken rechter. De hiervóór in no. 27 sub b vermelde jurisprudentie intusschen ziet — terecht m. i. — in die laatste opdracht, slechts in zoover art. 6 Sv. toepasselijk is, voor den strafrechter grond om het punt niet zelf te onderzoeken, dus ook alléén als de verdediging van beklaagde er toe leidt. ')

e. De reserve van het arrest van 1885 zou, als ze juist was, en dan niet gegrond op het aannemen van gezag van gewijsde voor de beslissingen in het strafvonnis over de elementen van het delikt, —- haar reden van bestaan hebben, niet enkel in strafzaken, doch evenzeer in burgerlijke geschillen, en omgekeerd zou dan ook in de administratieve rechtspraak een soortgelijke reserve op haar plaats zijn. — Bij geen van beide geldt zij echter, zie hiervóór nos. 3 en 5. — Een verbodsbepaling als die van art. 15 lid 2 der wet van 1845 Stbl. 22 zou anders ook, als van zelf sprekend, overbodig zijn. — Vgl. nog het hierna in no. 88 sub c opgemerkte naar aanleiding der motiveering van de arresten H. R. van 4 Mei 1858, 5 Okt. 1859 en 28Dec. 1870, in zake onderhoudsplicht.

f. Alleen daar, waar omdat de wet anders geen zin zou hebben, het voorbehoud van eenige beslissing aan het administratief gezag duidelijk mocht bedoelen ook het louter praejudicieel onderzoek van het punt te onttrekken aan ieder ander, dus mede aan den strafrechter, schijnt mij de reserve van het

!) Dit beteekent niet dat beklaagde zich moet hebben beroepen op het bestaan van een geschilpunt van burgerlijk recht, maar dat de verdediging van beklaagde, objektief beschouwd, zulk een geschilpunt opwerpt. Misschien is dit ook bedoeld door F. Buys (geciteerd hiervóór in de noot bij no. 27 sub 6) p. 55. Maar zijn formuleering t. a. p. doet twijfelen, of hij het niet voldoende acht, als de strafrechter meent dat voor den beklaagde zou kunnen worden aangevoerd een verdediging, die een civielrechtelijk geschilpunt betreft. Dit laatste zou echter m. i. kwalijk vereenigbaar zijn zoowel met art. 6 Sv. zelf, als met de jurisprudentie, in no. 27 sub b hiervóór genoemd.

Bij het hier in den tekst gezegde vgl. ook Buys 1.1. p. 5 v. o.—6 v. b.

Sluiten