Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bevel tot alle rechters is gericht. Ging dit op, zij zouden vanzelf gebonden zijn aan elke voorafgaande uitspraak, afkomstig van eenig rechter van denzelfden Staat. — Gelijke voorstelling als Laband heeft Bernatzik, Rechtsprechung und materielle Rechtskraft (1886) p. 117 v. b. en p. 130. Ygl. hierbij ook PRAzaK in Archiv fiir öffentliches Recht 4 p. 296. — Tot op zekere hoogte kan daarmee in verband gebracht worden de meening van J. v. Gelein Vitringa in Themis 1905 p. 2—3, die, al verkondigt hij niet hetzelfde als de zooeven aangehaalde schrijvers, toch het specifieke van het gezag van gewijsde hierin gelegen acht, dat de eens uitgesproken beslissing den rechter zelf bindt. Bedoeld moet wel zijn: elk rechter, niet slechts den rechter, die de uitspraak gaf; daar het gezag van gewijsde niet enkel voor dezen kan ingeroepen. Intusschen neemt Vitringa geen gezag van gewijsde aan, dan krachtens speciale wetsbepaling. Zie no. 46 hierna. (Vgl. ook de eerste noot op no. 45. Ik gebruik ook hier het woord „speciaal" niet in de beteekenis waarin Vitringa, in de bedoelde noot geciteerd, het bezigt, maar in de beteekenis t. a. p. door mij aangeduid).

De consequentie van bovenstaande meeningen zou m. i. zijn dat, ook waar in het tweede proces betrokken is iemand, die geen partij was in het eerste geding, de rechter, als aan de vroegere uitspraak gebonden, den derde niet zou kunnen hooren in zijn bewering dat het eerste vonnis onjuist was gewezen, m. a. w. elk vonnis zou gezag van gewijsde hebben, niet slechts voor procespartijen (hun rechtverkrijgenden hieronder inbegrepen), doch voor iedereen ').

!) Wel te verstaan natuurlijk voor de rechtsbetrekking, bij het vonnis bindend vastgesteld, n.1. die bestaande tusschen de toenmalige procespartijen. — Het schijnt niet overbodig dit punt hier te memoreeren, daar vele moeielijkheden in de leer van het gezag van gewijsde, naar het mij voorkomt, zouden kunnen worden vermeden, als men steeds hieraan indachtig was dat de vraag in deze altijd moet zijn: Wat is beslist en voor wie is het beslist ? Vgl. (omtrent het eerste) art. 1954 lid 1 B. W. — Zou niet ook het zooeven gezegde

Sluiten