Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Pagenstecher, Zur Lehre von der materiellen Rechtskraft (1905) p. 347—350 ').

Moet nu de rechter in het burgerlijk proces den derde volgen in zijn bewering dat het vonnis onjuist is gewezen, dan is dit slechts mogelijk, zoo hij niet als rechter aan het vroegere vonnis is gebonden. Inderdaad berust zulke gebondenheid van den rechter,

!) B.v. tusschen A en B is beslist, dat B aan A 100 schuldig is krachtens geldleening van 1 Januari 1901. X kan nu niet tegenspreken dat B aan A 100 schuldig is als uit een geldleening van 1 Jan. 1901, maar hij kan beweren dat dit zoo is ingevolge het vonnis, en dat die geldleening van 1 Jan. 1901 inderdaad niet bestaan heeft, zoodat eventueele gevolgtrekkingen uit het aangaan van zulk contract te zijnen aanzien niet opgaan. — Is beslist dat A tegenover B geldt als eigenaar, dan kan X dit laatste niet ontkennen, doch hij kan beweren dat het slechts zoo is ingevolge en dus sedert het vonnis, ook al mocht dit uitspreken dat het al zoo was op een vroeger tijdstip, terwijl — ook afgezien hiervan — aan X vrijstaat de bewering dat niet A, doch hijzelf of Y de ware eigenaar is. — Pagenstecher's voorstelling t. a. p. is eenigszins afwijkend; hij ziet, naar het mij voorkomt, over het hoofd dat wie partij was in het proces zelf niet kan reageeren tegen het gewijsde. Vgl. ook het in de vorige noot gezegde.

Bovenstaande opvatting komt niet geheel overeen met de gangbare leer, volgens welke een derde het burgerlijk vonnis, als hem in het geheel niet aangaande, op zijde kan schuiven. Bij die leer is er echter een onoplosbare strijd tusschen de wetsbepalingen over het gezag van gewijsde en die over het derden-verzet. Vgl. Tissier, Théorie et pratique de la tierce opposition (1890) p. VI en p. 5. Tissier's eigen poging tot oplossing (1.1. no. 4, p. 6—8 jis. nos. 51—53. p. 94—96, en no. 139 p. 224), ook door Faure aanvaard (Proc.recht V, le ed. p. 351, 358, 372, 412—413), is m. i. met de wet in aperten strijd. — Dat het derden-verzet bij de hier in den tekst gehuldigde meening over de subjektieve grenzen van het gezag van gewijsde goede reden van bestaan heeft, kan te dezer plaatse niet nader worden uiteengezet. — Het hier gezegde was echter noodig ter verklaring van hetgeen volgt over de gebondenheid des rechters.

Bij het bovenstaande vgl. ook Pagenstecher in Zeitschr. für deutschen Zivilprozess 37 p. 11 in nt. 37, en p. 13—23. — Men zie verder wat over de natuur van het vonnis wordt gezegd door Dernburg, geciteerd hiervóór op p. 2, waarbij vgl. Pagenstecher's boven in den tekst aangehaald werk, p. 94 v'gg-> welk boek, naar het mij toeschijnt, al is het vaak niet zeer genietbaar, tot een juist inzicht in de zaak veel kan bijdragen.

Sluiten