Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het vonnis bestaat als uiting, hetzij van hetzelfde staatsgezag, waarvan ook de rechter in het tweede proces het orgaan is, hetzij als een uitspraak, door dit staatsgezag erkend. Niemand, en allerminst de rechter, mag — gelijk Mendelssohn—Bartholdy het ergens plastisch uitdrukt —, een eens gewezen vonnis als „Luft behandeln" '). Maar, waar — gelijk hierboven is gezegd — hij die in het tweede proces partij is, doch dit niet was in het eerste, hierom het vroegere vonnis van onj uistheid kan betichten, en dus de daarbij vastgestelde rechtsverhouding der vorige procespartijen als tengevolge het vonnis ontstaan kan behandelen, moet de tweede rechter ditzelfde kunnen doen: anders zou hij den bewusten derde in bedoelde bewering niet kunnen volgen, wat zou neerkomen op gezag van gewijsde voor iedereen 2).

1) Het is Mendelssoiin—Bartholdy's onmiskenbare verdienste, in aansluiting trouwens aan anderen (vgl. Wach in Zur Lehre der Rechtskraft, drei Rechtsgutachten, 1899, p. 9), op dit punt de onjuistheid der heerschende leer duidelijk te hebben aangetoond, al heeft hij m. i. zelf daarvoor ook geen bevredigende oplossing in de plaats gesteld (vgl. het hieromtrent boven in den tekst opgemerkte). — Mag een zuiver administratieve behandeling, als afkomstig van een staatsorgaan, niet door den rechter worden genegeerd, zoo zij niet radikaal nietig is (vgl. Alg. Begins. XVI nos. 25—34), zeker niet een vonnis, dat eveneens van staatswege is gegeven, en als gezag van gewijsde hebbend voor partijen, nooit als nietig'kan worden behandeld, zoolang het niet door den hoogeren rechter is vernietigd. Waar dan ook door mij in dit werk, van een vonnis bindend gezag voor een lateren rechter wordt ontkend, is hiermee niet bedoeld dat deze met het vonnis geen rekening heeft te houden, — doch enkel dat hij het als onjuist gewezen mag behandelen, en het daarom beschouwen, ondanks de deklaratieve strekking van het vonnis, als in waarheid constitutief voor de rechtsbetrekking der vroegere gedingvoerenden, en slechts als zoodanig ook door hem te erkennen. — Vgl. hierbij ook Hünel, Deutsches Staatsrecht (1892) I p. 181-183.

In aansluiting aan het hier gezegde worde nog opgemerkt dat hetgeen én door Hellwig, Wesen und subjektive Begrenzung der Rechtskraft (1901; p. 16, èn door L. H. C. Kuiin, Het gezag van gewijsde in burgerlijke zaken, diss. Amst. 1905 p. 150 — 151, wordt aangevoerd ter weerlegging van Mendelssoiin— Bartholdy, als zoodanig m. i. volstrekt niet kan gelden. Het schijnt mij echter niet noodig hier daarop nader in te gaan.

2) Het hier gezegde geldt eveneens voor hen, die niet door den Staat tot

Léon : liechtspraak, 3e Druk, Deel II, afl. 1 jg*

(Mr. L. van Praag, Hecht. Org.)

Sluiten